Kind in oorlogstijd

….. een verhaal, opgetekend in 2010

 

Alle drie zijn ze driekwart eeuw oud, Jan Heining, Evert Boekhout en Bep Mastenbroek (nu Lobel). Verder hebben ze gemeen, dat ze in het jaar van de bevrijding gezamenlijk in de vijfde klas van de lagere school zaten. Op papier althans, want in het bevrijdingsjaar 1945 zaten de kinderen van de Schimmelpenninck van der Oyeschool allemaal thuis. Het schoolgebouw aan de toenmalige Rijksstraatweg (nu: Oosterdorpsstraat) was namelijk in zijn geheel gevorderd. “Op dolle dinsdag (5 september 1944) werden we allemaal naar huis gestuurd”, weet Evert Boekhout zich nog precies te herinneren. “Om half elf. Pas in juni 1945 zijn we weer voor het eerst naar school gegaan”.

Het vorderen van het schoolgebouw verklaart de onvolledigheid van het rapport van Jan Heining, waar in de vierde klas slechts het eerste rapport is ingevuld en in de vijfde klas alleen de rapporten twee en drie. “Het schooljaar liep toen van 1 april tot 31 maart”, zegt Heining. “Alleen vind ik het wel vreemd, dat zowel de school als mijn vader in de vijfde klas wel onder drie rapporten een handtekening hebben gezet”.

Jan Heining, Evert Boekhout en Bep Mastenbroek duiken 65 jaar en meer terug in hun geheugen om te vertellen over hun kind zijn in de Tweede Wereldoorlog en hun lagere school in die tijd. Voor Bep Mastenbroek, waarvan de ouders een kruidenierswinkel aan de Rijksstraatweg hadden, valt dat niet mee. “Ik weet eigenlijk bijna niets meer”, verontschuldigt zij zich regelmatig. “Ik weet alleen dat we tijdens de evacuatie met een paard en wagen naar Putten werden gebracht. En dat tijdens een razzia de broer van mijn moeder, Wessel Pothof, die ondergedoken zat, tussen de tabaksplanten vluchtte. Hij werd daar doodgeschoten en afgevoerd. We hebben er nooit meer iets van gehoord”.

“Het begin van de oorlog kan ik me nog goed herinneren”, zegt Jan Heining die, net als Evert Boekhout, zijn verhaal vertelt vanuit de ouderlijke woning, waar ze in de oorlog al woonden en die ze decennia geleden opnieuw hebben betrokken. “Het hele dorp werd geëvacueerd. De meesten gingen naar Putten, wij gingen met onze familie naar Voorthuizen, waar we een week in kippenhokken verbleven”.

Niet iedereen verliet echter het dorp. Evert Boekhout haast zich het verhaal van Jansje van de Berg, van de Stoutenburgerlaan, te vertellen. “Jansje ging in de oorlog niet vluchten. Die was zo strenggelovig dat ze bleef. Tussen het schieten door ging zij de varkens voeren. Jansje heeft heel veel goeds gedaan in die vijf dagen dat wij weg waren”.

Schoolklas van de Schimmelpenninck van der Oyeschool in de veertiger jaren. Zittend tweede van rechts is Bep Mastenbroek, één van de toenmalige kinderen die in dit verhaal wordt opgevoerd.

 

Angstige momenten

De drie sprekers zeggen geen trauma aan de oorlog te hebben overgehouden. Evenmin hebben zij flashbacks uit die tijd. Wel weet Jan Heining te vertellen, dat hij als kind de nodige angstige momenten heeft gekend. “De Duitsers hadden hun route over de toenmalige Betonweg, waar nu de A1 ligt. Daar werden zij regelmatig beschoten door de Engelsen. De Spitfires kwamen vanuit het noorden en doken boven de huizen al naar beneden om de Betonweg te beschieten. Wij doken dan weg in het kelderkastje, dat verstevigd werd met een werkbank en zandzakken voor het kelderraam, want wij hadden geen schuilkelder, zoals de buren. Later kozen de Duitser hun route over de Rijksstraatweg, waar ik woonde op nummer A144. Die was door de bomen beter beschut. Langs de weg stonden de mensen te kijken, maar die wisten natuurlijk niet dat deze straat onder vuur zou worden genomen, in plaats van de Betonweg. Zo heb ik Jan Mannee en Martin Blankenstein gewond zien raken”.

“Op school waren er veiligheidsmaatregelen genomen voor het geval de vliegtuigen overkwamen”, vertelt Jan Heining verder. “De bovenmeester floot drie keer heel schel op een fluit en dan moesten wij allemaal onder de banken gaan zitten. Maar die paar keer dat zoiets gebeurde stonden we juist op de banken, zo nieuwsgierig waren we. De school had hoge ramen, die van onderen mat waren gemaakt. Door op de banken te gaan staan konden we toch wat zien”.

 

De klas van 1945

De foto van de vierde klas van de Schimmelpenninck van der Oyeschool uit het schooljaar 1944/1945 verraadt een grote lesgroep van maar liefst 36 kinderen. “Kleinere klassen waren er niet”, zegt Heining. “Ze waren allemaal boven de dertig”.

“Toch ging dat best in die tijd”, weet Evert Boekhout. “Je had ontzag op school. Bovendien leefden we in een klein dorp. Je was gauw gezien in die tijd”.

De leerkracht in die tijd was meester De Vries, bovenmeester was meester Hommersom. “De Vries kon stoer kijken”, zegt Bep Mastenbroek. “Hommersom was vriendelijker”.

Jan Heining heeft geen al te beste herinneringen aan meester De Vries. “Die man kon ontzettend schreeuwen. Hij heeft heel wat aanwijsstokken kapot geslagen. ‘Moet mijn bloed soms karnemelk worden?’ was één van zijn vaste uitspraken wanneer hij kwaad was”.

Ook Evert Boekhout spreekt over De Vries als een driftige kerel. “Hij was kort van stof, maar hij gaf wel goed les en kon goed tekenen”. Iets wat Jan Heining beaamt. “De Vries kon ontzettend goed vertellen. Iedereen zat dan met rode oortjes te luisteren”.

Over meester Hommersom niets dan lof. “Een geweldige vent”, weet Jan Heining nog. “Hommersom kon zonder kwaad te worden orde houden. Hij was heel gemoedelijk, maar iedereen had ontzag voor hem”.

“Hommersom heeft nuttig werk verricht in de oorlog”, vult Evert Boekhout aan. “Daar heeft geen mens van geweten, maar samen met dokter Klaarenbeek heeft hij een hele ‘kwak’ goeds gedaan”.

SF02 Foto 1944-1945 001Bij de foto: Schimmelpenninck van der Oyeschool, schooljaar 1944/1945, vierde klas

Op de foto zijn zichtbaar: 1. Elbert van Deuveren, 2. Geurtje van Deuveren, 3. Yke de Boer, 4. Dik van Ree, 5. Evert Boekhout, 6. Evert van de Glind, 7. Jan van de Horst, 8. Henny van Duinkerken, 9. Tiny van Ravenhorst, 10. Meester De Vries, 11. Ali Torsius, 12. Corrie Bezemer, 12. Martin Blankenstein, 13. Teunis van Oosterum, 14. Meester Hommersom, 15. Daan Galekamp, 17. Henk Ruitenbeek, 18. Coby Bakker, 19. Teunis Doornekamp, 20. Wouter Brons, 21. Jan Willem Fontein, 22. Jan Heining, 23. Gerrit van Putten, 24. Henk van Duinkerken, 25. Elbert Wilgenburg, 26. Willie van de Ham, 27. Jannie van Roemburg, 28. Geert Jan Abbing, 29. Beb Mastenbroek, 30. Jannie van de Beek, 31. Alie Roersen, 32. Gert van Ee, 33. Sjors Kip, 34. Teunisje Wolfswinkel, 35. Hennie van de Horst, 36. Jan van Tamelen.

 

Bevrijding

De bevrijding van Hoevelaken was in april en mei ’45 geen abc-tje. Terwijl Barneveld en Terschuur al bevrijd waren is er in deze maanden in Hoevelaken nog de nodige strijd geleverd. Net als het begin van de oorlog heeft Jan Heining ook de bevrijding als angstig ervaren. “Veel mensen waren vertrokken, het dorp uit. Mijn grootmoeder lag ziek, dus mijn vader wilde niet weg. Vanuit de schuilkelder bij de buren hoorden we de tanks langsrijden. Die hadden we hier nog nooit gezien en waren voor onze begrippen heel groot. Iedereen stond te juichen, maar de bevrijders gaven door middel van handgebaren aan dat we alert moesten blijven. Bij de tankwal, waar nu De Wiekslag is, zijn ze weer omgekeerd. Daarna is er in Hoevelaken nog veel strijd geweest. Veel boerderijen zijn nog moedwillig in brand gestoken. Later is ook de molen in vlammen opgegaan en is de kerktoren er nog afgeschoten”.

De datum 19 april 1945 staat bij de oude Hoevelakers in het geheugen gegrift als een dag waarop nog veel onheil is aangericht. Zo zag Evert Boekhout een viertal Duitsers op de vlucht. “Ze gingen door de diepste gedeeltes van de sloot en hebben vervolgens nog de boerderij van Joop Laseur in de fik gestoken, de flikkers. Verder is er in die laatste dagen in april veel vee onnodig omgekomen”.

 

Bovenstaand verhaal is eerder gepubliceerd in het tijdschrift van Historisch Hoeflake van mei 2010.