Teus van Rootselaar en Henk van Zoeren

…… vertellen over hun (sc) Hoevelaken

“Vroeger kende je iedereen, nu ken je bijna niemand meer”.

Teus van Rootselaar en Henk van Zoeren, wie bij sc Hoevelaken kent ze niet? Beide mannen zijn geboren Hoevelakers en lid vanaf het eerste uur. Of althans, de eerste week. Voor De Zijlijn, het clubblad van sc Hoevelaken, vertellen zij exclusief hun verhaal over hun dorp en hun club. Na twee uur praten (en vooral genieten en smullen) zijn beide mannen eigenlijk nog niet uitgepraat. Wanneer de verhalen eenmaal loskomen, is er geen houden meer aan. Of het vroeger allemaal beter was, de discussies daarover worden met regelmaat gevoerd, maar in ieder geval zijn de oude verhalen fantastisch.

Teus van Rootselaar en Henk van Zoeren: geboren Hoevelakers, lid vanaf de oprichting  en gouden kracht voor de club

 

Over hun geboortestek
De geboortewieg van zowel Teus als Henk staat in Hoevelaken. Teus wordt geboren op 15 oktober 1944 aan de Oosterdorpsstraat. Henk ziet het levenslicht op 28 april 1953 aan de Julianalaan. De Julianalaan loopt in die tijd vanaf de Oosterdorpsstraat tot aan de Wilhelminalaan. Dan kun je rechts de hoek om en via de Bernhardlaan weer terug naar de Oosterdorpsstraat. De rest bestaat voornamelijk uit weilanden, een gebied dat tot aan de huidige snelweg De Wittenberg wordt genoemd. Henk over zijn woonwijk, waar hij tot 1979 woont: “De Julianalaan werd vroeger de volksbuurt genoemd. Het was een prachtige buurt, waar de mensen elkaar nog hielpen. Er was niet veel in die tijd, dus de mensen waren op elkaar aangewezen. Alle kinderen speelden met elkaar, in de straat kon je vrij voetballen, want er stonden of reden nog geen auto’s. En de deur zat nooit op slot. Ik kan me niet herinneren dat we vroeger de deur afsloten, en wanneer dat wel zo was, dan stond het klapraampje open, waar de sleutel achter hing. De hele buurt wist dat, maar er werd nooit misbruik van gemaakt”.

Henk van Zoeren, tweede van links, als kind op de Julianalaan.

“Groenteboer Van de Biezen kwam langs met paard en wagen. Hij had een platte kar, waar hij wat stellingen op had gebouwd. Van daaruit verkocht hij zijn groente. De melkboer, Bonestroo, had een soort driewieler, waarmee hij langskwam. De kolenboer kwam nog kolen brengen en de schillenboer had een koe voor de wagen. Dat beest wist overal de weg en stopte altijd op de juiste plek. Ook Han van de Bunt kwam met paard en wagen langs. Hij haalde de vuilnis op”.

Snel ging het allemaal niet in die tijd, het halen of bezorgen van spullen. “De meesten waren een halve dag druk, voordat ze de straat uitwaren”, zegt Henk. “Met iedereen moest een praatje worden gemaakt. ‘Heb je al gehoord dat …?’ Zo kwam het nieuws in het dorp”.

“Ik was negen jaar toen mijn moeder overleed, maar dat werd door de buurt opgevangen. Dan zat je hier voor een kop thee, dan weer daar. Dat was heel gewoon, je kon overal terecht. Bijvoorbeeld bij Toon van Soeren, onze buurman. Hij werkte bij de PGEM en was de enige in de straat die telefoon had. Iedereen gebruikte die, wanneer er gebeld moest worden. En hadden anderen jou nodig, dan belden ze naar Toon. Die kwam dan aan de deur om te vertellen dat er telefoon voor je was”.

“De bewoners aan de Wester- en Oosterdorpsstraat waren allemaal boeren”, zegt Teus over zijn geboortestek. “Ook wij hadden een kleine boerderij, met eerst zeven – en later tien koeien. Verder een paar honderd kippen, een paar varkens en een soort moestuin. Daar kon je in die tijd van leven”.

Teus groeit op zonder vader. “Ik was één jaar, toen hij overleed. Mijn moeder was net voor de negende keer van hem in verwachting. In haar eentje heeft zij het gezin opgevoed, uiteraard geholpen door mijn oudere broers en zusters. Ik had in die tijd heel wat vaders. Kreeg ik niet van mijn ene broer op mijn lazer, dan wel van de ander”.

“Bij ons was het altijd ‘De Zoete Inval’”, zegt Teus. “Wij hadden ruimte zat om te spelen. Alle jongens uit de buurt kwamen bij ons spelen. Afspreken deed je niet, men kwam gewoon. De deur stond altijd open. We zijn in die tijd wat keren in het prikkeldraad blijven hangen tijdens het spelen. Dan had je weer een broek of jas kapot en gingen de jongens naar mijn moeder. Het oude mensje maakte het dan wel weer”.

Televisie was in de tijd van Teus en Henk nog een zeldzaam artikel. Toch kon er, tegen betaling, tv worden gekeken. “Achter de Dorpsstraat liep een paadje naar de Veenwal”, zeggen Teus en Henk. “Dat werd wel het vlooienpaadje genoemd. Aan het eind daarvan was iemand met een televisie. Die had een soort van tribunetje gebouwd en daar kon je iedere middag, behalve op zondag, voor een dubbeltje een paar uur tv kijken”.

En verder: “Eigenlijk ging in die tijd alles vanzelf”, zegt Teus. “Je hielp elkaar waar je kon. De boeren leenden paarden van elkaar om het land te bewerken, te hooien of te gieren. Job van de Berg, de groenteboer, kwam bij ons uit de moestuin zijn groente halen. Die verkocht hij in zijn winkel. Mijn moeder kreeg dan weer een paar centen, want hij gaf het geld liever aan haar, dan aan zo’n rijke stinkerd”.

Over hun lagere schooltijd
Uiteraard gaan Teus en Henk in Hoevelaken op school. Henk naar de openbare lagere school, in zijn tijd al gevestigd aan de Goeverneurlaan, en Teus naar de Schimmelpenninck van der Oyeschool, eigenlijk dé school in Hoevelaken in die tijd. “Ik herinner me Lies de Jong, meester Te Pas, juf Mater en natuurlijk meester Kuiter”, zegt Henk over zijn schooltijd. “Met meester Kuiter is het voetbal begonnen. De ingang had twee deuren en haaks daarop stond een muur. In dat gebied had je een zes vakken, waarin de jongens van de hoogste klas een voetbalspel konden spelen. Wanneer de bal in jouw vak kwam, mocht je die één keer raken, anders was je af. Meester Kuiter deed zelf altijd mee en nam dan het vak in de hoek van de deur en de muur. Dat was het makkelijkste plekje”.

“We zaten wel in rijtjes, maar daaromheen stond een aantal grotere tafels in een soort carrévorm”, herinnert Henk zich nog. “Daaraan mochten we ook wel gaan zitten. Voor die tijd was dat al heel modern”.

“De openbare school was een beetje een buitenbeentje ten opzichte van de Schimmelpenninck van der Oyeschool. De Schimmelpenninck was van de kerk, heel streng. Toen mijn moeder overleed kwam er iemand van de kerk aan de deur. We konden hulp krijgen, wanneer mijn vader ons naar de Schimmelpenninck zou doen. Hij heeft die mensen direct de deur gewezen. Mijn vader was een rooie rakker, lid van de Partij van de Arbeid. Van die partij kwamen ze bij ons thuis in de keuken regelmatig vergaderen. Peet van Vaneveld en Geurt Vreekamp onder anderen. Dus van de christelijke school moest hij niets hebben. Mijn vader voedde ons liever zelf op”.

Dé school van Hoevelaken is wél het leerdomein van Teus. Hij noemt zijn leerkrachten moeiteloos op. “Juffrouw Van der Heerd, die heel lang op deze school is geweest, juffrouw Vroeg in de Wei, Manus van Deuveren, meester De Vries, meester Beentjes en natuurlijk meester Hommersom zelf, die altijd de zesde klas had”.

 

Het is toch uniek, dat je op 72-jarige leeftijd nog met je meester van de lagere school op de foto kunt: links Manus van Deuveren, rechts Teus van Rootselaar.

Vóór zijn lagere schooltijd gaat Teus eerst naar de kleuterschool, in het Fraanjekerkje (waar nu ongeveer de Chinees is). “Ik was vijf en ging altijd met ons Ria mee. Die was anderhalf jaar ouder. Toen zij naar de lagere school ging ben ik nooit meer naar de kleuterschool geweest. Ik was daarvoor veel te verlegen. En mijn moeder vond het wel best”.

Ook bij Teus op school is het voetbal troef op het schoolplein. Met meester Jansen, niet toevallig samen met Herman Kuiter lid van het oprichtingscomité van sc Hoevelaken in 1963. “Jansen was helemaal bezeten van voetbal”, zegt Teus. “Hij deed ook altijd zelf mee. Soms speelden we een wedstrijd tegen een andere school en dan was hij zo fanatiek, dat hij altijd wilde winnen. Wanneer dat lukte, kon je weer een paar weken geen kwaad bij hem doen”.

Henk: “In onze tijd was er nog schoolmelk. Daarvoor moest je een melkkaart kopen. Wanneer je klassendienst had, dan mocht je de gaatjes in de doppen maken en de rietjes erin doen. Geweldig vond je dat”. Om verder te gaan met: “Had je klassendienst, dan mocht je ook de schriften uitdelen en aan het eind van de dag het schoolbord schoonvegen”. Teus: “Dat moesten wij alleen doen, wanneer we straf hadden. Ik heb heel wat schoolborden geveegd”.

Na hun lagere schooltijd belanden Teus en Henk beiden aan de Leusderweg in Amersfoort. In de tijd van Teus is dat nog de Ambachtsschool. Wanneer Henk naar die school gaat heet die inmiddels de LTS. Henk komt vervolgens te werken in de elektriciteit, bij Nettenbouw. Teus belandt bij bouwbedrijf Roersen, als opperman. “Na mijn eerste werkdag kreeg ik al op mijn sodemieter van mijn broers, die ook bij Roersen werkten. We moesten ergens sleuven graven voor de fundering. De metselaars zaten achter me aan, want die wilden meters maken. Om negen uur was er schaft, maar ik ging gewoon door met werken, want dan zaten die metselaars me niet zo op te jagen. Aan het eind van de dag zeiden mijn broers: ‘Ze willen jou hebben, want je werkt zo hard’. De volgende dag ben ik tijdens de schaft er maar bij gaan zitten”.

De bouw is verder niet voor Teus weggelegd. Het aanpakken, jagen en jakkeren is niets voor hem. Op jonge leeftijd wordt hij daarom vrachtwagenchauffeur, een vak dat hij tot zijn pensioen uitoefent. In al die jaren is hij eenmaal betrokken bij een verkeersongeval, dat buiten zijn schuld plaatsvindt. Verder rijdt Teus schadevrij, waarbij hij het presteert om met één van zijn wagens een miljoen kilometer te rijden. “Ik ben daarvoor nog geëerd”, zegt Teus.

Over het verenigingsleven
Iedereen die in de jaren vijftig en zestig opgroeit in Hoevelaken krijgt vrijwel automatisch te maken met gymnastiekvereniging Hellas. En dus ook met Ab van Koot. Voor Teus en Henk is dat niet anders. “Ik voetbalde in die tijd al, maar Arie van Hussel haalde me over om ook bij de gym te gaan”, zegt Henk. “Ik weet nog goed, de eerste les kregen we blokjesvoetbal, de tweede les kregen we blokjesvoetbal en de derde les kregen we blokjesvoetbal. Ab van Koot lustte ze in die tijd nogal en dan moest het tijdens de les niet allemaal te ingewikkeld zijn. Hij hield het dan graag eenvoudig”.

Henk houdt de gym al snel voor gezien, net als Teus. “Bij ons thuis was bijna iedereen lid van de gym. Ik heb er een blauwe maandag bijgezeten, hooguit twee maanden”.

Teus wil liever trommelen, maar ook die hobby is snel voorbij. “Het leek me geweldig om als trommelaar bij de fanfare te zitten. Helaas heeft dat niet langer dan een half jaar geduurd. Ik kreeg een paar houten plankjes mee naar huis om het trommelen op te oefenen. Ik vond dat niks, want ik wilde de grote trom. Toen ben ik maar gestopt”.

“De fanfare organiseerde wel altijd geweldige toneelavonden”, vult Henk aan. “Eenmaal per jaar vond er vanuit de fanfare een toneeluitvoering plaats. Daar keek je naar uit. Met de hele buurt gingen we erheen. Goede pak aan en met de hele buurt op sjouw. De Stuw zat afgeladen vol”.

In 1963 vindt de oprichting van sc Hoevelaken plaats. Henk wordt als tienjarig jongetje door zijn vader aangemeld, Teus verkast op 18-jarige leeftijd van Veensche Boys naar sc Hoevelaken. Bij ‘onze’ club blijken ze geen eendagsvlieg te zijn. Nog altijd steken zij vele uren in de club. Op de zondag na is Teus iedere dag voor korte – of langere tijd te vinden op Kleinhoven. Voor Henk is het al niet veel anders.

“Ik kan me de opening van het veld aan de Sportweg nog goed herinneren”, zegt Henk. “Met de jeugd speelden we een voorwedstrijd tegen Achterveld. We moesten verzamelen bij Herman Niemeijer, aan de Westerdorpsstraat. Daar werd alles doorgenomen. Burgemeester Veen was er om het lint door te knippen. Als kind was dat heel indrukwekkend, zo’n man met een ambtsketen. We wonnen met 4-0 en ik maakte als linksbuiten één van de doelpunten. Het was de dag van mijn leven”.

Het eerste jeugdelftal van sc Hoevelaken op 28 september 1963. Achter vlnr:  Paul Mentjox, George Mentjox (voor), ?? (achter) , Cees (van de ?) Ham, Aalt “Bever” van Doornik, Wiegert van de Hoorn, ??. Voor vlnr: Jan de Meijer, ?? , Kees van Altena, Wim Timmer, ??, Henk van Zoeren, Wim van Leijenhorst , Harmelink (?)

De eerste trainingen voor Henk worden afgewerkt op een veldje naast de Schimmelpenninck van der Oyeschool. Henk traint op zijn laarzen, Henk Bogaert geeft de eerste trainingen.

Als voetballer begint Henk als linksbuiten. Gaandeweg verhuist hij steeds verder naar achteren, om uiteindelijk op doel te belanden. “Aalt van Doornik (niet te verwarren met Pino) was in die tijd onze keeper. We noemden hem ‘Bever’. Toen hij er een keer niet was mocht ik mijn eerste wedstrijd keepen. We moesten eerst op de fiets naar Scherpenzeel en verloren vervolgens met 13-1. Dat was direct mijn vuurdoop”.

Ondanks het ongeluksgetal aan tegentreffers blijft Henk enthousiast als doelman. “Ik ben altijd keeper gebleven, behalve in de A-junioren. Met Joop Haverkamp en mij hadden we twee keepers. We keepten om de week, de andere week mocht je gewoon voetballen”.

Al op jonge leeftijd wordt Henk gevraagd om de overstap te maken naar de senioren. “Ze kwamen zelfs aan de deur bij mijn vader om te vragen of ik al naar de senioren mocht. ‘Dat moet hij zelf weten’, was zijn antwoord. Ik kreeg direct mijn vuurdoop met mannen als Gerard van de Grootevheen, Jaap van de Pol, Gerrit van de Haar. Tegen Gerrit zei ik nog ‘meneer’, zo keek je als broekie tegen die man op. Ik kreeg vijf wedstrijden om me te bewijzen, anders zou ik weer terug gaan naar de junioren. Ik heb vijf wedstrijden op de bank gezeten. Piet Kokje was de keeper, die deed het geweldig en ik durfde natuurlijk nog niets te zeggen. Je was al blij dat je mee mocht met die mannen”.

Uiteindelijk komt het goed. “Kokje kon een keer niet en toen mocht ik op doel. Zo langzamerhand ben ik toen keeper van het eerste geworden”.

Na een jarenlange carrière als doelman van de hoofdmacht (lees voor de ups en downs het jubileumboek van sc Hoevelaken) komt Henk voor een korte periode uit voor de veteranen. “Ik ging tobben met mijn knieën, waardoor ik met voetballen ben gestopt. Ik ben toen een jaar of vijf leider geweest van die veteranen. Een geweldige tijd, met goede voetballers en meerdere kampioenschappen”.

Henk en Teus bij de veteranen. Staand vlnr: Cees Draaijer, Wil Groen, Gerard van de Grootevheen, Hans Jacobs, Aalt van Doornik, Teus van Rootselaar, Gerrit van de Haar. Voor vlnr: Rini Vreekamp, Beer Visscher, Herman van Soeren, Jan van den Hoeven, Jan van Doornik, Hans van den Bos, Henk van Zoeren.

Wanneer Henk leider wordt van het veteranenteam behoort Teus al enkele jaren tot de vaste kern van dat team. “Ik heb de langste tijd bij de veteranen gevoetbald”, zegt hij. “Ik kreeg daarvoor zelfs nog dispensatie, want voor de veteranen moest je een bepaalde leeftijd hebben, 35 geloof ik. Dat was ik nog niet”.

Na zijn aanmelding als lid komt Teus eerst uit in de hoofdmacht. De eerste wedstrijd in de historie van sc Hoevelaken vindt plaats in Hulshorst. Aldaar wordt met 6-0 verloren. “Dat vonden we nog weinig”.

Na een half jaar ‘vlaggenschip’ komt Teus terecht bij Hoevelaken 2, waar hij een decennium voetbalt. Uiteindelijk belandt hij bij de veteranen, waar hij in 2002 pas op 57-jarige leeftijd afscheid neemt. “Ik heb bij de veteranen veel schik gehad. Soms moesten we ’s morgens om tien uur spelen. Daar kwam dan weinig van terecht. Sommigen waren op dat tijdstip nog zo dronken van de vrijdagavond, dat ze letterlijk kotsend op het veld liepen”.

Tijdens zijn actieve carrière behoort Henk al tot het trainersgilde. Met veel plezier traint hij dan al jeugdkeepers. Daarnaast maakt hij jaren deel uit van de Cocktailcommissie, die in de jaren tachtig met regelmaat mixtoernooien organiseert. Tevens is hij in de negentiger jaren één van de grondleggers van de sponsorcommissie.

In de 21e eeuw is Henk, met één onderbreking, twaalf jaar leider van Hoevelaken A1, met Ben Boekhout als hoofdjeugdtrainer. “Ik heb in die jaren veel respect voor Ben gekregen”, zegt Henk. “Iedere keer was er wel weer wat en moest er met deze of gene gesproken worden. Maar het gekke was, de moeilijkste jongens waren vaak ook de beste voetballers. Vooral de beginjaren waren geweldig, met Joop Haverkamp als grensrechter en later Jos Springveld als verzorger. Ik heb met heel veel plezier met die jonge voetballers gewerkt”.

Teus is voor de oudgedienden binnen onze club nog vooral bekend als barkeeper. Na drie jaar wedstrijdsecretaris te zijn geweest (1976-1979) tapt hij van 1979 tot 1994 vijftien jaar, samen met vrouw Marrie, de biertjes. Eerst in samenwerking met het echtpaar Jelle en Tonnie Faber, later als zelfstandig verantwoordelijke voor het clubhuis, met hulp van anderen. Vooral in het clubhuis aan de Sportweg is dat dolle pret. Met grote regelmaat verschijnen op donderdagavond rond een uur of één nog de kaarten op tafel, wanneer de meesten al op één oor liggen. “Dan kwam ik om drie uur thuis en moest ik om vijf uur de weg weer op. Dat ze me nooit hebben aangehouden en dat het al die tijd goed is gegaan ……”

Hans van den Bos is penningmeester, wanneer Teus de verantwoording over het clubhuis draagt. “Eens in de maand kwam hij bij me langs, om de clubkas te controleren. Ooit kwam ik een cent tekort. Die moesten we zelf bijleggen. Marrie is een tijd lang op zoek geweest naar een cent, maar ondertussen zoop Hans wel twee potten bier van me leeg”.

Het is de tijd, dat bijna iedereen zijn ‘gelag’ laat opschrijven. “Tachtig procent deed dat. Bij een bepaald bedrag moest je betalen. Dan moest je de desbetreffende persoon waarschuwen. Het is wel voorgekomen dat we iemand op zijn rekening aanspraken. Die beloofde dan op zaterdag te betalen, wat ook gebeurde. Ondertussen streepten we alvast zijn naam door en openden een nieuwe rekening voor hem. Als de penningmeester het maar niet kwam te weten”.

Teus en Henk zijn nog altijd gouden krachten voor sc Hoevelaken. Teus maakt al jaren deel uit van de JJC. Iedere dag is hij op het complex te vinden, behalve op zondag. “Ik was na mijn pensioen een jaar thuis, toen iemand van de JJC me kwam polsen om van deze groep deel uit te komen maken. Ik weet niet eens meer wie. Ik heb er nooit spijt van gehad”.

Henk is inmiddels 34 jaar keeperstrainer en zit namens de doelwachters al ruim een decennium in de commissie Voetbal Technische Zaken, de voormalige technische commissie. Daarmee stopt hij aan het eind van dit seizoen.

Over de woonomgeving van nu
Henk woont sinds de oplevering van de woningen aan Groot Middendorp. “In die jaren gingen er heel veel voetballers wonen”, zegt Henk. “Het was op die manier een heel gezellig buurtje. Op een gegeven moment komt Jan van den Heuvel een krat bier brengen. ‘Die heb ik uit je schuur geleend, want je lag te slapen op de bank’. Dat kon in die tijd. Inmiddels zijn de meeste voetballers verhuisd. Met de oudere bewoners maak je nog wel eens een praatje, maar verder is het voornamelijk ‘goeiedag’ zeggen, en dan houdt het op. We hebben wel eens een buurtbarbecue gehouden, maar dan komt zestig procent niet. Zit je met een man of twintig. Wat dat betreft is er in de loop der jaren veel veranderd. De mensen hebben nu ook veel meer te doen. Vroeger, aan de Julianalaan, gebruikten we een ruimte van transportbedrijf Van den Berg. Dan gingen de stoelen en tafels erin en werd er een buurtfeest gehouden. Iedereen was er dan”.

Na een ‘uitstapje’ naar de Zonnebloemlaan is Teus al jaren terug aan de Oosterdorpsstraat, al is dat nu aan de andere kant van de straat ten opzichte van zijn jeugdjaren. “Ik heb eerst twee jaar in het bakhuis bij mijn moeder gewoond, want ik moest trouwen. Na driekwart jaar kwamen ze van de gemeente, dat ze een huis voor ons hadden. Mijn moeder zei: ‘Dat gaat niet door, want dan moet je geld lenen’. Na twee jaar kwam de gemeente opnieuw en zijn we naar de Zonnebloemlaan verhuisd. Inmiddels wonen we weer aan de Oosterdorpsstraat. Daar is weinig verloop, al zijn de boerderijtjes en het boerenleven weg”.

“Mijn broer is op jonge leeftijd naar Canada gegaan”, zegt Teus. “Enkele jaren geleden kwam hij na vijftig jaar weer eens terug in Hoevelaken. Hij kende het dorp niet terug”.

Tot slot
Henk: “Vroeger kende je bij de voetbalclub en in het dorp iedereen. Beiden zijn nu zo groot geworden, dat je bijna niemand meer kent. Dat gaat zo hard. Komt ook, omdat je zelf niet overal meer middenin zit. Dan verwateren de contacten toch”.

Teus: “Ik ken bij de voetbalclub bijna niemand meer, maar van de jeugd kennen ze mij allemaal. ‘Dat is die meneer van Opa’s huis’”.

Bovenstaand artikel verscheen in het voorjaar van 2017 in De Zijlijn, het clubblad van sc Hoevelaken.