Fanfare ‘Te Hoevelaken’

… 1928 – 1983

Hoevelaken heeft maar liefst 55 jaar lang een fanfarecorps. De eerste noten worden geblazen in 1928, de laatste in 1983.

Het archief van het fanfarecorps is in die ruime halve eeuw altijd goed bijgehouden, goed bewaard gebleven en al een aantal jaren in het bezit van Historisch Hoeflake. Naar aanleiding van die archieven is er in 2008 een uitgebreid verhaal gemaakt over het Hoevelakense fanfarecorps, dat is aangevuld met persoonlijke verhalen van toenmalige leden van dit corps. Een deel van dit verhaal is rond 2009, 2010 in drie edities opgenomen in het tijdschrift van Historisch Hoeflake. De hele versie is te lezen op deze pagina.

Lezers van dit verhaal, die aanvullingen hebben, of meer weten over het toenmalige fanfarecorps, worden uitgenodigd dit via de button ‘contact’ kenbaar te maken bij Historisch Hoeflake. Wellicht maken die aanvullingen het verhaal nog interessanter en geschiedrijker.

 

Het verhaal over de Hoevelakense fanfare begint in het najaar van 1927. Hoevelaken is nog maar een klein dorp met rond de 1300 inwoners en kent nog maar een beperkt verenigingsleven.

Het is in deze tijd, dat dr. C.J.K. van Aalst, kasteelheer sinds 1925 op het kasteel te Hoevelaken, de hoofdonderwijzers van de beide lagere scholen, de heren L.Ph. Michon van de christelijke lagere school en T. Hendriks van de openbare lagere school, op zijn kasteel uitnodigt voor een bespreking over de oprichting van een muziekvereniging. Enkele dagen na deze bijeenkomst worden de dorpsgenoten via advertenties in de ‘courant’ op de hoogte gebracht van de plannen en uitgenodigd om de vergadering, die op 19 januari 1928 gepland staat, bij te wonen. “Er zijn er velen geweest, die belangstelling aan de advertentie toonden”, schrijft Henk de Mul, die in 1953 een overzicht maakt over 25 jaar fanfare, dat tot een toneelstuk is verwerkt. “Het ging van mond tot mond, de één nam de ander mee. Hoevelaken liep zelfs geheel uit. Dat was trouwens goed te merken in het altijd zo rustige dorp, want 60 mensen trokken de bewuste 19e januari 1928 naar de christelijke school. Dat was voor die tijd een massa mensen, want Hoevelaken telde toen vanzelf nog niet zoveel inwoners”.

Van de 60 aanwezigen tijdens de oprichtingsvergadering melden zich er maar liefst vijftig aan als lid. Voor hen wordt de contributie vastgesteld op tien cent per week. Een muziekvereniging is daarmee geboren en de eerste zorg voor het nieuwe bestuur, dat bestaat uit voorzitter L. Ph. Michon, secretaris W. de Vries, penningmeester T. Hendriks en de commissarissen J. Smit en W. van Leuveren, is het aanstellen van een dirigent. Op een advertentie reageren daarop twee personen, te weten de heer Korpel uit Hoogland en de heer C.H. van de Bergh uit Amersfoort. Tijdens de eerste bestuursvergadering, die gehouden wordt op 26 januari 1928, wordt besloten om beide kandidaten bekend te maken aan de beschermheer, C.J.K. van Aalst. Deze besluit C.H. van de Bergh tot dirigent te benoemen.

De eerste ledenvergadering

Nu de contouren van de muziekvereniging vast staan kan er een eerste ledenvergadering worden belegd. Die vindt plaats op 2 februari 1928. Tijdens deze ledenvergadering voert de beschermheer het woord. Van Aalst benadrukt, dat hij de muziekvereniging bestemd heeft voor en van Hoevelaken. Hij stelt dan ook de eis, dat alleen inwoners van Hoevelaken het recht krijgen, lid van deze nieuwe muziekvereniging te worden. Dat betekent, dat het ledenaantal plotseling daalt naar 32. Daarvan blijken er drie al eens eerder een muziekinstrument bespeeld te hebben. Twee leden zijn van plan onmiddellijk ‘noten’ te gaan leren, opdat de dirigent zo snel mogelijk met de practische repetities kan beginnen.

De heer Korpel uit Hoogland, die geen dirigent wordt maar wel lid wil blijven, voelt zich genoodzaakt zich terug te trekken. Dit ondanks het feit. dat hij bereid is in het bestuur zitting te nemen.

Instrumentarium

Met het idee te komen tot de oprichting van een muziekvereniging heeft Van Aalst verder gedacht dan alleen de oprichting zelf. Na de oprichting moet er een vervolg komen en die hangt, naast het ledenaantal en het kader, voornamelijk af van muziekinstrumenten. Van Aalst stelt de muziekvereniging, die door het leven gaat als “Fanfarecorps Te Hoevelaken”, 39 muziekinstrumenten, 40 stoelen en 40 lessenaars ter beschikking. Het gemeentebestuur van Hoevelaken stelt daarnaast de vereniging in de gelegenheid om in een lokaal van de openbare lagere school te repeteren, dat daarvoor zelfs elektrisch licht krijgt. “In dat lokaal heeft de heer Van Aalst op één der eerste repetities persoonlijk met een woord van opwekking de repetities officieel geopend, waarbij ook de erevoorzitter, jhr. Van Eijs, in hartelijke bewoordingen aan zijn vreugde over de geboorte der vereniging blijk gaf en haar een voorspoedig leven toewenste”.

1929

De eerste serenade

In de jaren van bestaan verzorgt de fanfare jaarlijks de nodige serenades. Die serenades worden gehouden bij huwelijken en huwelijksfeesten, verjaardagen van belangrijke leden en andere belangrijke gedenkwaardigheden binnen het dorp. De eerste serenade vindt ruim een jaar na de oprichting plaats.

Door tijdens de wekelijkse repetities en ook thuis hard te studeren gaat het niveau van de muziekvereniging voetje voor voetje vooruit. “Er werd zo langzaamaan een marsje geblazen, nog onzeker en wankel, maar het ging steeds beter”, schrijft Henk de Mul in het 25-jarig overzicht. “Ja zelfs zo goed, dat op 7 mei 1929 een serenade gebracht kon worden bij de beschermheer, Dr. Van Aalst, op het kasteel te Hoevelaken, voor diens verjaardag. U begrijpt, dat er vol ijver gestudeerd werd om maar op z’n best voor de dag te komen. De eerste serenade na zestien maanden leek haast onmogelijk. En toch wilde men dat wagen. Elke muzikant had even voor het vertrek z’n partij nog doorgenomen en zo ging men dan op mars”.

Gedrag na de serenade

Alle begin is moeilijk, zo ook hoe te handelen na afloop van een serenade. Bestuurslid A. van Wijngaarden brengt dat tijdens een bestuursvergadering ter sprake en maakt de opmerking, dat hij het aangenaam zou vinden als er bij een serenade niet meer getrakteerd wordt bij de woning van degene die de serenade in ontvangst neemt, maar in het verenigingslokaal. Vooral ook met het oog op het toezicht over de jongere leden, die nu zijn aangenomen”.

Na bespreking van dit onderwerp wordt de conclusie getrokken, dat het moeilijk gaat zoiets voor te schrijven, dat het in vele gevallen meerdere moeite en kosten voor den gastheer zou meebrengen. Wel kan telkens van de zijde van het bestuur de wenselijkheid te kennen worden gegeven, dat den jongere leden die mee zullen spelen geen alcoholische dranken worden aangeboden”.

Van Wijngaarden vindt ook, dat er tijdens de serenade bij Huis te Hoevelaken minder ordentelijk is vertrokken. Hij stelt voor, dat er maatregelen worden genomen, dat in het vervolg de vereniging in een regelmatige troep zich verwijdert, en dan liefst met muziek er bij of minstens trommelslag. De indruk naar buiten zal daardoor toch zeer worden verhoogd”.

Spelen bij de burgerwacht?

Op de bestuursvergadering van 5 december 1929 wordt een verzoek behandeld van enkele leden, die tevens lid zijn van de burgerwacht, om tijdens de eerstvolgende prijsuitreiking van de burgerwacht met elkaar muziek te mogen maken. De voorzitter ziet liever, vanuit het oogpunt van goede saamhorigheid, dat het hele corps daarvoor uitgenodigd wordt. Na een discussie met voors en tegens wordt de mening van de directeur gevraagd. Die is van oordeel, dat het geen gelukkig samenspel zal worden, als hij nagaat dat de bezetting eenzijdig zal zijn. Om dan het Fanfarecorps niet te blameren adviseert hij tot weigering van het verzoek”.

Gesproken wordt over een royement, wanneer de bewuste leden toch zullen spelen, maar de directeur wil het lijntje niet zo strak spannen. Zijn advies is om een serenade te gaan brengen bij de feestvierende burgerwacht en zo de goede wil van het Fanfarecorps en deszelfs bestuur daadwerkelijk te demonstreren. De goede samenwerking kan door deze handelwijze toch alleszins bevordert worden”.

Uiteindelijk wordt de oplossing aangedragen door de beschermheer zelf. Van Aalst: “Het bestuur van de burgerwacht vraagt aan het bestuur van het fanfarcorps een aantal muzikanten, bij voorkeur leden van de burgerwacht, om belangeloze medewerking om de prijsuitreiking op te luisteren. De bezetting wordt door de directeur vastgesteld en door vrijwilligers uitgevoerd”.

Het bestuur vindt het idee van Van Aalst ‘schitterend’ en zal daar ook geheel naar handelen.

1930

Tweejarig bestaan en een nieuw verenigingsgebouw

 Op 6 februari 1930 viert het fanfarecorps het tweejarig bestaan. Een groot deel van de feestavond wordt, zoals bijna gebruikelijk, bekostigd door beschermheer Van Aalst. Hij stelt honderd gulden beschikbaar, vrij te besteden, “alleen zou ik gaarne zien, om alle onaangenaamheden te vermijden, dat het niet in Hotel Kolfschoten zal plaats hebben”.

De feestavond wordt gehouden in de werkplaats van E. Beitler, waar “onze eminenten directeur namens de vereniging een fraaien dirigeerstok krijgt aangeboden”

Wel plichten, maar geen rechten

Tijdens de ledenvergadering van 27 januari 1930 doet Zeger van Roemburg het voorstel, om de heren Michon en De Vries tot erelid te benoemen. Zonder hoofdelijke stemming wordt dit voorstel aangenomen, waarop de beschermheer beide oud-bestuursleden tot erelid benoemt. Dit leidt tot een nieuwe vraag van Van Roemburg, ditmaal tijdens de jaarvergadering van 10 maart 1930. Hij vraagt, “of het benoemen van ereleden niet door de leden kan geschieden, daar er toch in ’t reglement staat, dat de leden een stem hebben, terwijl nu toch wel blijkt dat de leden totaal niets kunnen besluiten. Hij zou daar gaarne eens meer zekerheid van willen, daar hij anders liever thuis blijft dan op vergaderingen te komen waar men toch niets te zeggen heeft. Hij vindt, dat men wel geregeld op zijn plicht wordt gewezen, maar over recht als lid wordt niet gesproken”.

Verschillende leden zijn het met de visie van Van Roemburg eens, maar uit de uitvoerige toelichting van erevoorzitter Van Eijs valt op te maken, “dat er nu eenmaal niets aan te doen is en men zich geheel er na moet trachten te schikken. Men moet de Hoevelakensche fanfarecorps niet gaan vergelijken bij verenigingen, welke zichzelf kunnen bedruipen”.

Verenigingsgebouw

In 1930 verreist aan de Stoutenburgerlaan een heus verenigingsgebouw. De komst van een verenigingsgebouw is al snel na de oprichting van het fanfarecorps toegezegd door C.J.K. van Aalst. Tijdens diverse ledenvergaderingen worden er vragen over het beloofde verenigingsgebouw gesteld, maar als enige antwoord kan worden gegeven, dat de plannen er liggen, maar dat geduld moet worden betracht.

Het verenigingsgebouw aan de Stoutenburgerlaan, dat door dr. C.J.K. van Aalst aan Hoevelaken wordt geschonken, wordt in het najaar van 1930 geopend. Naast de fanfare maken onder andere de burgerwacht (vanaf 1946 schietvereniging “Frans Tromp”), diverse zangverenigingen, gymnastiekvereniging “Excelsior” (van 1940 tot 1945), gymnastiekvereniging “Hellas” (vanaf 1954) en de tafeltennisvereniging (vanaf 1965) van het verenigingsgebouw gebruik. Daarnaast vinden er tot 1972 de gymnastieklessen van de lagere scholen plaats.

Eind 1930 is het dan zover. Dr. C.J.K. van Aalst, die inmiddels als weldoener van de gemeente Hoevelaken mag worden betiteld, schenkt Hoevelaken een gebouw, dat voor verenigingen is ingericht.

“Wij kunnen voor dezen vorstelijken schenking voor alle Hoevelakensche verenigingen onze hooggeachte beschermheer daar niet dankbaar genoeg voor zijn. Allen zult gij er toch wel mede eens zijn, dat het ons aller verwachting zowel bouw, grootte en inrichting verre heeft overtroffen”.

“Hoe hebben een groot gedeelte onzer, toen men eenmaal uit de grond begon op te bouwen, dit mooie werk niet gevolgd en met spanning gewacht op het ogenblik, dat het officieel ingebruikname zou worden gesteld”.

“Nadat dan op 19 april 1930 door een kleinzoon van onze beschermheer den eersten steenlegging werd voltrokken, zo had dan de officiele opening plaats op 27 oktober 1930”.

Het fanfarecorps houdt daar nu haar bestuurs- en ledenvergaderingen en geeft er op 18 december 1930 haar eerste openbare uitvoering, waar de leden nog een sigaartje wordt gepresenteerd.

1931

Jaarlijks is het fanfarecorps actief met serenades en de muzikale begeleiding van de kinderfeesten tijdens Koninginnedag, die in die jaren op 31 augustus wordt georganiseerd. In 1931 is dat niet anders, maar de sfeer binnen het fanfarecorps wordt dit kalenderjaar voornamelijk bepaald door strubbelingen en onenigheid. Zo wordt er veel aandacht besteed aan het al dan niet aannemen van een nieuw lid, C. Koek. Koek wordt omschreven als een gladde aal en een deel van het bestuur is bang, dat er bij het aannemen van dit lid wrijvingen en scheuringen binnen de vereniging zullen ontstaan. Na twee bestuursvergaderingen, waarop eigenlijk wordt besloten om C. Koek niet toe te laten als lid, wordt het probleem aan de ledenvergadering voorgelegd wanneer C. Koek zich opnieuw, en nu met zijn zoon, aanmeldt als lid. Na stemming wordt bijna unaniem gestemd ten gunste van Koek, die dan ook als lid zal worden ingeschreven.

Verder komen er meerdere verwijten in de richting van de voorzitter Hendriks. Hem wordt verweten tijdens optredens te vaak afwezig te zijn, terwijl hij het woord zou moeten voeren. Ook neemt men hem kwalijk dat hij vanwege ‘ongesteldheid’ zich voor een bestuursvergadering afmeldt, terwijl hij ’s avonds laat wel op straat wordt gezien.

Eén en ander houdt in, dat T. Hendriks stopt als voorzitter. Zijn taken worden overgenomen door C.H. van de Bergh, die ook als dirigent aan het fanfarecorps is verbonden.

Artikel 9

Een grote bron van ergernis tijdens de ledenvergaderingen van de nog prille vereniging is het toepassen van artikel 9 van het reglement. Dit artikel zegt, dat het lidmaatschap van leden, die zonder kennisgeving achtereenvolgens driemaal de repetities verzuimen, automatisch vervalt. Met grote regelmaat wordt ingebracht, dat de opkomst tijdens de repetities ver onder de maat is, terwijl de leden bij aangenamere bijeenkomsten wel massaal aanwezig zijn. Het bestuur zegt regelmatig toe hier strenger op toe te zien, maar tot een daadwerkelijke uitsluiting van verzuimende leden komt het niet.

Nieuwe petten

Om de eenheid te bevorderen worden de leden van het fanfarecorps in 1931 voorzien van officiële petten. Later blijkt dat er door een misverstand twee petten teveel zijn besteld. Het bestuur besluit deze twee petten voor een totaalbedrag van vijf gulden over te nemen van de winkelier.

1932

Conflict met Tromp

Het kalenderjaar 1932 begint met een conflict tussen het fanfarecorps en de heer Tromp. Tijdens een met spoed bijeengeroepen bestuursvergadering op 15 januari 1932 wordt de houding van Tromp tijdens het onderlinge feestavondje van 14 januari ter sprake gebracht. Het bestuur wil onderzoek doen “of den heer Tromp werkelijk de bevoegdheid heeft, om een houding aan te nemen alsof alleen datgene in het verenigingsgebouw mag plaatsvinden als het naar zijn zin is”.

“Mocht de bevoegdheid van Tromp werkelijk zo ver gaan, dan is het voor ons corps onmogelijk om langer gebruik van het gebouw te maken, daar wij dan de kans zouden beloopen dat op de één of andere uitvoering of repetitie den heer Tromp binnen zou stappen en het zou verbieden om een stuk uit te voeren of in te studeren”.

Twee weken later krijgt dit verhaal een vervolg, wanneer beschermheer Van Aalst op de hoogte is gesteld van de houding van Tromp. Die zegt, “dat den heer Tromp in zekere gevallen, wanneer Dr. Van Aalst niet aanwezig is, namens hem mag optreden, doch dat de beschermheer in deze kwestie bij den heer Tromp niet de nodige takt heeft kunnen constateren”.

Van Aalst geeft te kennen een commissievergadering van het verenigingsgebouw bijeen te roepen en de voorzitter van het fanfarecorps daarbij uit te nodigen.

Glibberige paden

Tijdens de jaarvergadering van 11 februari 1932 kijkt voorzitter Van de Bergh terug op vier jaar fanfarecorps. “Wij zijn nog lang niet bij ons doel”, zo zegt hij. “Want nu, nu wij de glibberige paden van concoursen gaan betreden, nu komt er een hele zware tijd. Maar ik stel het volle vertrouwen in alle leden dat, hoe de uitslag ook mag wezen van een wedstrijd, de goede samenwerking en schitterende geest onderling steeds aaneengeschakeld blijft, ja nog versterkt wordt, als wij struikelen en de tanden op elkaar zetten en allen eenstemmig zeggen: de volgende wedstrijd zal het beter wezen, kan het niet anders of in de toekomst zal het Hoevelakens fanfarecorps een grote plaats innemen in de muziekkunst”.

Het eerste concours

Al vrij snel vanaf de oprichting krijgt het fanfarecorps diverse uitnodigingen om deel te nemen aan concoursen in de regio. In de eerste jaren worden deze uitnodigingen voor kennisgeving aangenomen, maar in 1932 gaat het corps er uiteindelijk toch op in. Het fanfarecorps acht zich na ruim vier jaar oefening goed genoeg om op 15 mei 1932 aan een concours deel te nemen in Woudenberg. Die deelname is geen onverdeeld succes. Fanfarecorps “Te Hoevelaken” behaalt tijdens hun eerste concours een eerste prijs in haar afdeling en promoveert daarmee van de vierde naar de derde afdeling. Een dag later wordt er in Woudenberg deelgenomen aan een erewedstrijd, waarop een tweede prijs wordt behaald.

Fanfarecorps, 1932

1933

Een vaandel als cadeau

Vaandel fanfarecorps

Op 19 januari 1933 bestaat het fanfarecorps vijf jaar. Dit eerste lustrum gaat niet ongemerkt voorbij. Er wordt een grootse jubileumavond gehouden waarop het corps van de bevolking een vaandel krijgt aangeboden.

In 1933 krijgt het fanfarecorps van de bevolking een vaandel aangeboden. In 1999 komt dit vaandel in het beizt van de Stichting Historisch Hoeflake.

 Het bezitten van een vaandel brengt ook direct een nieuwe functie met zich mee: die van vaandeldrager. Daarvoor stelt zich tijdens een jaarvergadering spontaan C. van Leijenhorst beschikbaar.

Rollebollen

Bij het doornemen van de notulen van het fanfarecorps valt op, dat er veelvuldig wrijving is binnen de vereniging. Zo ook in 1933. Secretaris van Wijngaarden beticht de voorzitter van veelvuldig eigenhandig optreden, terwijl ook penningmeester J. Smit een veeg uit de pan krijgt omdat hij valse voorlichting gegeven zou hebben bij een te houden serenade bij de familie Fonteijn, die uiteindelijk niet door ging.

Na hevige discussie wordt de onvrede van tafel geveegd, maar in september staat Van Wijngaarden opnieuw in het middelpunt van een conflict. Samen met twee andere leden mist hij de bus naar Amsterdam voor het defilé ten behoeve van het 35-jarig regeringsjubileum van H.M. de Koningin. Van Wijngaarden eist, dat de vereniging de gemaakt onkosten om toch in Amsterdam te komen geheel vergoed, maar daaraan wordt geen gehoor gegeven. Van Wijngaarden bedankt daarmee direct als lid.

Ook is er binnen het ledenbestand wantrouwen omtrent een aangeboden huwelijkscadeau aan A. Roersen. Dat cadeau is gekocht door de bestuursleden J. van Deuveren en de nieuwe secretaris G. van Deuveren. “Er is mij van mensen buiten de vereniging gezegd, dat er gemompeld is dat het cadeau de helft van de waarde had van hetgeen het heeft gekost. Met ander woorden, dat die twee heren wel een gedeelte ervan in hun zak kunnen hebben gestoken”.

Geen concours

In 1933 doet het fanfarecorps niet mee aan een concours. C.H. van de Bergh, nog altijd in de dubbelfunctie van voorzitter en directeur/dirigent, is daarover heel duidelijk. Hij constateert, dat de animo voor de muziek aanmerkelijk begint te zakken. Ook worden repetities niet meer zo trouw bezocht. Telkens mankeren leden. Spreker wil niet zeggen dat we nou bepaald teruggaan, doch het staat stil. Dit is niet goed. De vereniging wordt ouder, dus moet er vooruitgang geconstateerd worden. Ook bij de laatste uitvoering heeft hij gemerkt, dat er leden bij waren, die totaal op waren bij de laatste nummers. Ze konden niet meer. Dit is een bewijs, dat er thuis te weinig wordt gestudeerd. We moeten er rekening mee houden dat, als we deelnemen aan een concours, we steeds op hoger peil komen te staan.

 Wel wordt besloten, om in 1934 aan een concours in Amersfoort deel te nemen.

1934 en 1935

Het tweede concours en de muziektent

Het tweede concours

In 1934 neemt het fanfarecorps twee maal deel aan een muziekconcours. Op 10 mei 1934 wordt in Amersfoort een 1ste prijs behaald in de marschwedstrijd en een 3de prijs in de concertwedstrijd. “En aangezien wij daar niet mede tevreden waren, we konden het veel beter meenden we, hebben we op 1 augustus weer aan concours deelgenomen te Soest. We behaalden daar weliswaar ruim een 2de prijs, maar zijn naar den aard der zaak toch in de derde afdeling gebleven”.

Muziektent

De jaren 1934 en 1935 staan voornamelijk in het teken van een muziektent. Het is een grote wens van het bestuur en een groot deel van de leden, om een eigen muziektent te hebben. Dat onderwerp komt tijdens een vergadering in 1930 al voor het eerst aan de orde, maar op dat moment vindt het bestuur, dat de vereniging daaraan nog niet toe is.

In 1933 komt het onderwerp muziektent terug. Er wordt heel wat afvergaderd, voordat de gewenste muziektent eindelijk realiteit is. Een overzicht.

Voorzitter Van de Bergh, tevens dirigent van het fanfarecorps, komt al in 1933 met een idee, of er nu niet de tijd is aangebroken om te trachten een muziektent machtig te worden.

In eerste instantie wordt getracht, om van de gemeente een muziektent te verkrijgen, maar die werkt niet mee. De voorzitter deelt mede, dat we teleurgesteld zijn door de gemeente, mede doordat verleden jaar de burgerij van Hoevelaken ons met een vaandel verblijdde, we onze hoop gevestigd hadden dat we van de gemeente zo niet geheel, dan toch gedeeltelijk een muziektent zouden verkrijgen. Dit heeft niet zo mogen zijn. Naar de oorzaak kunnen we slechts gissen. Vermoedelijk zijn het de financiële toestanden, doch naar de uitlatingen van een gemeenteraadslid toentertijd zijn er ook andere factoren aanwezig.

Omdat er vanuit de gemeente geen medewerking valt te verwachten, worden andere wegen bewandeld. Zo wordt afgesproken om gelden bijeen te krijgen door het verkopen van ansichtkaarten van de vereniging, het ophangen van bussen op repetities en uitvoeringen alsmede muzikale rondwandelingen met collecte.

Zeger van Roemburg vindt echter, dat eerst de leden zelf eens wat doen en dan pas het publiek. Hij denkt aan een contributieverhoging van één of een paar cent per week. Dit voorstel vindt veel bijval, maar een aantal leden weigert dit beslist, omdat ze het nut van een muziektent niet inzien. Ze betalen er dan ook absoluut niet aan.

Daarna wordt besloten, om het nieuwe voorstel van Van Roemburg te steunen, om een vrijwillige bijdrage te geven van 2½ cent per week, uitsluitend voor de tent.

In 1934 zijn de ontwikkelingen rond de muziektent zo ver, dat er een fonds kan worden opgericht. Met diverse acties wordt fl. 260,93 opgehaald. J. Beitler is bereid de betonnen fundering voor zijn rekening te nemen, terwijl zijn zoon Otto zorg zal dragen voor verschillende tekeningen van muziektenten. Daarnaast zal hem worden gevraagd te zorgen voor een bouwvergunning.

Aan de gemeente zal gevraagd worden naar een stuk grond, waarop de tent kan komen te staan. Verder wordt besloten om het bouwen van de muziektent door de leden te laten uitvoeren, in hun vrije tijd. Dat lijkt het voordeligst. Een aantal leden (Van Roemburg, Van de Water, Geurt van Deuveren en J. van Leuveren) zegt toe het timmerwerk te willen verzorgen, maar wie gaat eigenlijk het hout leveren. Dat levert nog een interessante discussie op: De voorzitter deelt mede dat er al wel eerder over gesproken is, doch dat er nu een besluit moet worden genomen en meent dat nu E.S. Beitler eigenlijk voor Roersen staat, daar Beitler steeds zijn sympathie ten opzichte van het fanfarecorps heeft bewezen, terwijl het lid Joh. Roersen de vereniging nu al in de steek laat, dus wat moet dat worden met de hulpverlening met het bouwen van de tent.

Dus zijn er nog twee timmerlieden lid van de vereniging en wel G. v. Deuveren en J. v. Leuveren. Aan hen zal worden gevraagd of ze voor de leverantie van het hout in aanmerking wensen te komen. Zo ja, dan zal er ingeschreven worden door E.S. Beitler, W. Roersen, G. van Deuveren en J. van Leuveren, waarna het bestuur dan zal beslissen.

De levering van het hout wordt gegund aan E.S. Beitler, omdat die met de laagste offerte komt.

Opening

Op 2 september wordt de muziektent feestelijk geopend door beschermheer C.J.K. van Aalst. Men vindt het de trots van het corps, temeer daar het eigen constructie is.

Maar daarmee is men er nog niet. Het blijkt, dat er voor de bouw van de muziektent een tekort van fl. 125,00 bestaat. De voorzitter komt met het voorstel, daarvoor een renteloze lening uit te schrijven van één gulden, die jaarlijks zoveel mogelijk wordt afgelost.

De eerste uitbetalingen vinden plaats in maart 1937, wanneer besloten wordt fl 5,00 uit te betalen aan de aandeelhouders van de renteloze lening. Dit gebeurt via loting.

In eerste instantie worden de leningen uitgeschreven onder de leden. Wanneer blijkt, dat er slecht 33 leningen onder de leden zijn uitgeschreven, geeft beschermheer Van Aalst toestemming, om ook buiten de vereniging naar mensen op zoek te gaan, die een renteloze lening met het fanfarecorps willen aangaan.

Daarnaast vraagt de gemeente jaarlijks een huur van fl 17,50 voor de huur van de grond, waarop de muziektent staat. Gelukkig komt daarvoor een oplossing. Erevoorzitter Van Eijs, tevens burgemeester van Hoevelaken, brengt als ingezetene van Hoevelaken dank aan het fanfarecorps voor hetgeen deze doet voor de gemeente en zal dan ook trachten de post grondhuur voor de tent van de begroting te krijgen door de gemeenteraad voor te stellen deze gelden voor het fanfarecorps te subsidiëren.

Het gemeentebestuur gaat daarmee akkoord, want jaarlijks wordt de subsidie van fl. 17,50 keurig aan het fanfarecorps betaald. Hier staat echter tegenover, dat het fanfarecorps dan wel een verplicht aantal van vijf concerten per jaar dient te geven.

In 1938 wordt over dit aantal met het gemeentebestuur onderhandeld, omdat men vijf concerten op de tent een hoge prijs vindt voor de fl 17,50 subsidie. Dat wordt dan fl 3,50 per concert. Besloten wordt een brief te zenden aan het gemeentebestuur met het standpunt de subsidie met deze bepaling niet te kunnen aanvaarden. De gemeente gaat daarvoor overstag en handhaaft de subsidie zonder verdere bepaling.

Weinig belangstelling

Op 13 juli en 3 september 1936 worden er in de muziektent concerten gegeven, waarbij weinig belangstelling was van het Hoevelakensche publiek, volgens de secretaris. Of dit komt dat de tent een beetje uit het centrum staat, ik weet het niet. Wel weet ik, dat we indertijd in een noodtent onder ’t bosch veel meer luistervinken trokken.

1936 en 1937

Plichtsverzuim, maar wel promotie

De voorzitter opent de vergadering en constateert tot zijn spijt, dat er verschillende leden afwezig zijn en voegt eraan toe dat er de laatste tijd ook op de repetities te veel absenten voorkomen. Hij vraagt of de leden hierover eens ernstig nadenken en zoveel mogelijk elkaar er toe op te wekken, vooral ook daar de burgerij van Hoevelaken het mogelijk maakte dat we in het bezit gekomen zijn van een muziektent, zijn we verplicht die waardig te trachten.

Met bovenstaande woorden opent de voorzitter op 6 februari 1936 de ledenvergadering.

De genoemde ledenvergadering wordt in dezelfde strekking gesloten middels een rondvraag van Van Roemburg, die vraagt om een radicaal middel tegen het repetitieverzuim. Spreker zou het middel toejuichen wat er toe leiden kan leden muzikaal te verhogen en is er van overtuigd dat wanneer de directeur op repetitieavonden, bijvoorbeeld tien minuten, privé-lessen laat blazen, dit de intensieve studie ten goede komt.

De voorzitter zegt, dat het bestuur heeft besloten tegen het repetitieverzuim artikel 9 onder letter d (het lidmaatschap vervalt, door zonder kennisgeving achtereenvolgens drie maal de repetitie te verzuimen) van het reglement in toepassing te brengen.

Wat het privé blazen betreft is de voorzitter bang, dat de repetitieavond daardoor een beetje wordt afgetakeld. Toch zal de dirigent proberen het in die geest te doen als Roemburg het bedoeld heeft.

De slechte opkomst tijdens repetities is al vanaf de oprichting in 1928 jaarlijks een onderwerp van gesprek tijdens ledenvergaderingen. Zelfs beschermheer Van Aalst spreekt daarover tijdens een jaarvergadering zijn verbijstering uit. Maar ook al wordt de leden steeds op hun plichten en de noodzaak van studeren gewezen, veel verandering is er in de repetitieopkomst niet te zien.

Ook wordt vaker toegezegd het genoemde artikel 9 toe te passen, maar nooit wordt daaraan gevolg gegeven. Toezeggingen doen in deze is één, maar de daad bij het woord voegen is een ander. En aan die daadkracht ontbreekt het nogal eens binnen het fanfarecorps, zoals ook in 1939 tijdens de jaarvergadering met fraaie bewoordingen door de voorzitter wordt omschreven: “Zoo ge hoort heeren, zijn we het laatste jaar tamelijk rustig geweest, ik geloof in alle opzichten. Nu kan het wat wanklanken betreft nooit rustig genoeg zijn, maar de instrumenten die zwijgen ook te veel en hebben toch heusch de rust van repetitie tot repetitie niet noodig. Laten we vooral studerende muzikanten blijven en thuis ook het instrument nog eens aanspreken”.

Contributie

Een aardig item in de notulen is een verhaal over de contributie, die men voor aspirant-leden met 15 cent per week te hoog vindt. J. Roersen, die het onderwerp ter sprake brengt heeft van verschillende zijden vernomen dat er wel jongens bij de muziek mogen van hun ouders als dit tien cent per week was.

Men kan, aldus de spreker, beter 10 leden van één dubbeltje hebben als 6 van 15 cent, hetgeen na enige berekening wordt toegegeven.

Promotie naar de tweede klasse

In mei 1937 doet het fanfarecorps weer mee aan een concours in Amersfoort. Dit concours wordt een overweldigend succes met maar liefst vier eerste prijzen: in de marswedstrijd, in de concertwedstrijd, in de erewedstrijd en de directeursprijs voor het hoogst aantal punten.

Met deze serie eerste prijzen zijn onze wensen van verleden jaar, om in de tweede afdeling te zitten met ons 10-jarig bestaan, werkelijkheid geworden.

De prijzen, een lauwerkrans, een dito tak en een medaille worden tijdens de jaarvergadering van 11 april 1938 door het jongste lid, Jan de Meijer, aan het vaandel gehangen.

1938

10-jarig bestaan

Op 19 januari 1938 bestaat het fanfarecorps precies tien jaar. Tot een groot feest komt het niet. De voorzitter legt daarop uit dat hij heeft vernomen, dat enkele leden onder elkaar kankeren en er zelfs buitenstaanders mee inhalen dat het bestuur niets doet voor het 10-jarig bestaan. Doch deze nalatigheid zit hem niet in het bestuur, maar bij de leden zelf. Door de contributieschuld hebben we een bijna lege kas. Doch als de leden te reclameren hebben, laten ze dan bij het bestuur komen, dan hebben we tenminste wanklank.

De viering van het tienjarig bestaan blijft derhalve beperkt tot het aanbieden van een consumptie aan de leden door beschermheer Dr. Van Aalst.

De geboorte van prinses Beatrix

Uitbundiger wordt op 31 januari 1938 de geboorte van prinses Beatrix gevierd: Zoo hebben we ook Hoevelaken in opschudding gebracht op 31 januari, op dien dag toch was ons kleine princesje geboren. Aangewakkerd door de consumpties, genuttigd bij Fontijn en ten huize van den heer Roemburg, marscheerden we tot laat in den avond tusschen de wapperende vlaggen door.

Fanfarecorps op Schiphol, 1938. Uit het jaarverslag van 1 maart 1939 van secretaris Gerrit van Deuveren:  “Tenslotte rest mij nog te vermelden de uitgaansdag op 4 augustus 1938, waarvan vooral het bezoek aan Schiphol een diepe indruk op ons maakte. Doch ook IJmuiden was interessant met een bonte en krioelende menigte in de zee. En bij de zeesluizen troffen we het, daar er juiste een grote boot van de Holland-Amerikalijn binnen kwam”.

1939

Het fanfarecorps verliest haar trouwe beschermheer

In memoriam: C.J.K. van Aalst

In oktober 1939 wordt het fanfarecorps geconfronteerd met een groot verlies: het overlijden van de beschermheer, C.J.K. van Aalst. Van Aalst is de initiatiefnemer tot oprichting van het fanfarecorps, is daarna een trouw beschermheer en steunt het corps jaarlijks met een bijdrage van fl. 360,00 wat bijna de helft is van de totale begroting en overeenkomt met het salaris van de dirigent.

Tijdens de jaarvergadering van 26 maart 1940 wordt weer even stilgestaan bij het heengaan van Van Aalst.

“Op zaterdag 6 mei brachten we hem traditiegetrouw bij zijn 73e verjaardag een serenade, waarbij onze voorzitter nog opmerkte, dat het de 10e serenade was dien we aan hem brachten. Wie had kunnen denken dat we een half jaar later, 25 oktober, wederom op zijn landgoed verschenen, deze keer niet met vrolijke toonen van de fanfare om luister bij te zetten, doch met omfloerst vaandel om de laatste eer te bewijzen bij zijn uitvaart door ’t vormen van een eerewacht.

Hij was het, die het mogelijk maakte ons corps op te richten. Hij was het ook, die het corps op den been bleef houden. Niet alleen financieel, doch ook vooral moreel.

Aan Dr. C.J.K. van Aalst hebben we veel te danken en zijn naam zal dan ook met gouden letters in het archief bewaard worden”.

Eerste concours in de tweede afdeling

Op 18 mei 1939, Hemelvaartsdag, reist het fanfarecorps af naar Renkum, om voor het eerst sinds haar verblijf in de tweede afdeling deel te nemen aan een concours, alwaar we een 2e prijs in de marswedstrijd en een 3e prijs in de concertwedstrijd behaalden. Dit was niet bepaald een succes, doch in aanmerking genomen dat het de eerste keer was dat we in de tweede afdeling uitkwamen en de ontbering die we hadden voor we aan het spelen kwamen (verkeerde regeling, wachten in de warmte), mogen we tevreden zijn”.

Mobilisatie

“Dan volgt september en daarmee de mobilisatie met z’n nadeelige gevolgen, ook voor ons corps. Doch al spoedig staken we onze hoofden bij elkaar en hadden we al naar hulpmiddelen gegrepen. Ten eerste besloten we door te gaan met repeteren. Ten tweede bij eventuele bezetting van ’t gebouw repeteeren bij J. van Deuveren op de deel, hetgeen niet behoefde.

Ten derde bij verhindering van de directeur zou diens zoon als vervanger optreden, en is dan ook verschillende malen geweest, doch de laatste tijd hebben we gewoon normaal kunnen repeteren”.

“De vereniging heeft, net als verleden jaar, 30 leden. Hoeveel werkende leden er zijn durf ik echter niet precies te zeggen. Er zijn gemobiliseerde leden, die onmogelijk de repetities kunnen bezoeken”.

“Er zijn echter ook niet-gemobiliseerde leden, die wel kunnen en toch een andere reden verzinnen en de repetitie verzuimen. Dit werkt afbrekend daar de eene de andere meesleurt”.

1940 – 1945

Het fanfarecorps in de oorlogsjaren 

“Dit jaar is er door de mobilisatie en later door den oorlogstoestand niets door het fanfarecorps gedaan kunnen worden”, schrijft voorzitter en waarnemend secretaris Van de Bergh in het jaarverslag van 5 mei 1941. “Zelfs hebben wij door de noodtoestand gedwongen de gewone repetities een tijdje stop moeten zetten. Als wij dit bedenken, dan beseffen wij pas goed wat de familie Van Aalst voor ons doet, want hun steun is in de eerste plaats bedoeld om ons door deze moeilijke tijd heen te brengen”.

 Wel verheugend voor het bestuur is, dat de oude secretaris, die vanwege zijn vertrek uit Hoevelaken in april 1940 zijn werkzaamheden voor het fanfarecorps moest beëindigen, weer terug kan keren op zijn oude post. “De oorlogstoestand heeft ons belet een ander in zijn plaats te benoemen, terwijl deze zelfde oorlogstoestand onze vriend Gerrit van Deuveren na enkele weken weer in ons midden terugbracht”.

Stoppen of doorgaan?

Zeger van Roemburg is een actief deelnemer aan de leden- en jaarvergaderingen. Tijdens iedere vergadering heeft hij een nadrukkelijke inbreng, vooral waar het de matige opkomst tijdens de repetities betreft. Hij pleit zichzelf daarvan ook niet vrij, maar vraagt zich tijdens deze ledenvergadering wel hardop af, of het zin heeft om als fanfarecorps door te gaan. “Nu op deze vergadering moesten wij maar eens een beslissing nemen”, zegt Van Roemburg. “Het is niet voldoende om hier te zeggen: ‘ja, we doen het wel weer’, neen het gaat nu om de zaak voortbestaan of niet. De leden die nu voor zijn om voort te bestaan moeten dan ook beloven dat zij werkelijk zullen komen, ook al zijn het er maar tien”.

Het betoog van Van Roemburg heeft tot gevolg, dat er zich 15 leden opgeven om op de maandagavond present te zijn op de repetitie, wat de voorzitter (en nog altijd dirigent) een bevredigend resultaat vindt.

De voorzitter wekte tenslotte de leden op om den moed er in te houden, man aan man en schouder aan schouder te staan en door samenwerking het fanfarecorps weer te brengen op de plaats die haar toekomt, de eerste vereniging van Hoevelaken.

Geen volksmuziek

Op 9 juni en 28 juli 1941 geeft het fanfarecorps voorlopig haar laatste concerten in de muziektent, waarvoor toestemming was verkregen op voorwaarde dat geen volksliederen of liederen die aanleiding kunnen geven tot demonstraties van welke aard ook, ten gehoore zijn gebracht”.

Op 11 november 1941 overlijdt beschermvrouwe mevrouw Van Aalst-Gevaerts.

“Daar de stemming der leden steeds somberder werd, kwam er van repeteren niet meer en werden de repetities in februari 1942 stopgezet. We mochten trouwens niet meer bestaan, daar we niet wilden aansluiten bij de cultuurkamer. Het fanfarecorps was dus zonder levensteeken, doch niet uitgestorven. Dit bewees, toen we op 21 maart 1943 het droevige overlijdensbericht ontvingen van ons jongste lid G. Geitenbeek. Spontaan kwamen de muzikanten bij elkaar en besloten dit veelbelovende lid naar z’n laatste rustplaats te dragen”.

Lessen

Hoewel er geen gezamenlijke repeties worden gehouden, geeft dirigent Van den Berg wel lessen in de oorlog. Althans, volgens Elbert van Deuveren. Van Deuveren is van 1935 en zegt als kind in de oorlogsjaren van deze dirigent muzieklessen te hebben gehad. “Na afloop kreeg hij altijd wat te eten mee naar huis”, zegt Van Deuveren in een gesprek in 2007. “De mensen op het platteland hadden genoeg. In Amersfoort was het allemaal een stuk schaarser”.

Bevrijding

Op 5 mei 1945 volgt voor Nederland de bevrijding. Daarmee komen ook de activiteiten van het fanfarecorps weer volop tot leven. Op 2 juli volgt na ruim drie jaar weer de eerste repetitie, waarna het corps weer volop haar medewerking verleent aan diverse gebeurtenissen, zoals drie inzamelingen van de kerk, activiteiten van de Oranjevereniging met marsmuziek door het dorp, festiviteiten van buurtverenigingen buiten Hoevelaken en diverse serenades. “En dat alles in een vrij Hoevelaken”.

1946 – 1947

Op zoek naar een nieuwe dirigent

De eerste naoorlogse vergaderingen

In januari (bestuursvergadering) en februari (ledenvergaderingen) 1946 vinden na vijf jaar weer de eerste vergaderingen plaats. Een belangrijk onderwerp is de bestuursverkiezing. Vanwege de hinderlijke onderbreking door de oorlog is het gehele bestuur aftredend. De leden blijken echter zoveel vertrouwen in het oude bestuur te hebben, dat het gehele bestuur en bloc wordt herkozen.

Verder wordt er wat gesproken over contributieverhoging, het aannemen van donateurs, de overname van de petten door de vereniging van leden die stoppen (voor vijf gulden per pet, een bedrag dat door nieuwe leden dan weer aan de vereniging moet worden betaald om in het bezit van zo’n pet te komen), deelname aan een concours en andere activiteiten en, hoe kan het anders, het aanwakkerende repetitieverzuim in de tweede helft van 1945.

De beschermfunctie blijft, na het overlijden van beschermvrouwe Van Aalst-Gevaerts, in de familie van Van Aalst. Mr. N.J. van Aalst neemt de taak van beschermheer over. Hij start met een subsidie van fl 450,00 over het jaar 1947.

Op zoek naar een nieuwe dirigent

Op 10 juni 1946 (Tweede Pinksterdag) komt het bestuur opnieuw bijeen. Daarop deelt voorzitter, en nog altijd dirigent, Van de Bergh mee, dat hij het ‘t beste acht wanneer hij als voorzitter bedankt, om rede hij thans te Nijmegen vertoeft en vermoedelijk zal worden overgeplaatst naar Breda en hij van gedachte is, dat het beter is wanneer het bestuur bij eventuele besluiten bij de hand is.

Van de Bergh, in het dagelijks leven kapelmeester van de cavalerie, is wel bereid om als dirigent aan te blijven, waarbij hij dan wil trachten zoveel mogelijk te komen en bij afwezigheid zich te laten vervangen door zijn zoon. Dat laatste vindt echter weinig bijval bij secretaris Gerrit van Deuveren, die twijfelt of zijn zoon wel de aangewezen persoon daarvoor is, daar de leden, vooral de jongere, behalve muzikale leiding ook discipline nodig hebben”.

Penningmeester Roersen vindt dat het fanfarecorps eens een jaar een strenge directeur moet hebben. Daarbij valt de naam Hulleman, dirigent van het politiecorps te Amersfoort, die Van de Bergh persoonlijk kent en ook geschikt acht, enkele malen. Hulleman wordt ook aangesteld als dirigent, maar deelt na een week al mee, dat hij om ambtsredenen zijn benoeming niet mag aanvaarden. Op zijn voorspraak wordt de heer Lozeman als dirigent geprobeerd. Iedereen is er van overtuigd dat hij een uitstekend dirigent is. “Het feit echter dat hij als N.S.B.-er in een kamp had gezeten heeft ons doen besluiten deze niet te vragen”.

Na drie maanden proef wordt uiteindelijk de heer W.A.J.C. Wakelkamp als dirigent benoemd. Hij is de zoon van J. Wakelkamp, die na het vertrek van Van de Bergh als waarnemend dirigent heeft opgetreden.

Mooie woorden

Bij het afscheid van de voorzitter neemt Van de Bergh eerst zelf het woord: “Ik woon te Amersfoort, doch ben meer Hoevelaker dan Amersfoorter. Toen ik ruim achttien jaar terug de benoeming als dirigent aanvaardde, werd mij te Amersfoort gevraagd: ‘Ga je naar die boeren?’ en ik heb geantwoord: ‘Ja, daar ga ik naar toe!’ Noch nimmer heb ik daar berouw van gehad. Ik heb hier mensen ontmoet, hetgeen ik, vooral ook in de afgelopen oorlogsjaren, heb ondervonden”.

Vervolgens neemt Gerrit van Deuveren, die het voorzitterschap over neemt en als secretaris wordt opgevolgd door G. Willigenburg, het woord. Hij is van mening, dat we als leden van het fanfarecorps wel zeer ondankbaar zouden zijn, indien we thans afscheid namen van onze voorzitter en een gewoon adju. De aangename sfeer zowel op vergaderingen als bij repetities, hetzij muziek of toneel, was vooral aan hem te danken. Het spijt ons erg dat de heer Van de Bergh heengaat als voorzitter, wetende dat hij in deze functie niet te vervangen is”.

Hoe bevalt de nieuwe dirigent?

De eerste indrukken over de nieuwe dirigent, de heer Wakelkamp, zijn positief, wanneer het jaarverslag over 1946, geschreven door secretaris G. Willigenburg, geloofd mag worden. Afgezien van het feit, dat we zeer veel dank verschuldigd zijn aan de heer Van de Bergh, geloof ik toch dat deze omwenteling geen slechte is voor ons corps. Volgens mij was de heer Van de Bergh een te sterke persoonlijkheid voor deze vereniging. Zowel bestuur al leden wentelden bijna alles af op diens persoon en hij zette altijd gewillig zijn schouders er onder, met als gevolg gemakzucht van onze kant”.

“Dat er op ’t ogenblik dan ook vooruitgang is te bespeuren schrijf ik in hoofdzaak toe aan de grotere plichtsbetrachting der leden, met natuurlijk de aangename sfeer en bekwame leiding der repetities onder de heer Wakelkamp”.

Onder leiding van J. Wakelkamp, op dat moment plaatsvervanger van de oude dirigent, neemt het fanfarecorps sinds lange tijd weer deel aan een concours. Alhoewel onze verwachtingen niet hoog waren, viel een derde prijs toch niet mee. Als we echter nagaan, dat we voor een verplicht nummer maar 5 of 6 repetities hebben gehad, weliswaar onder goede, doch voor ons vreemde plaatsvervanger, dan is dat wel zeer te verklaren”.

Verder bruist het fanfarecorps in 1946 en 1947 van de activiteiten. Wat te denken van het eerste bevrijdingsfeest, gehouden op 4 mei 1946; het inhalen van de nieuwe burgemeester van Hoevelaken, de heer Snouck Hurgronje; marsen door het dorp ter gelegenheid van de verjaardag van de van Prins Bernhard, koninginnedagen en de geboorte van prinses Marijke in 1947; vele serenades ter gelegenheid van huwelijksfeesten. De spirit bij het fanfarecorps lijkt groter dan ooit tevoren.

Wens niet in vervulling

Op 19 januari 1948 bestaat het fanfarecorps twintig jaar. Een grote wens van de leden is, om dat feest te vieren als lid van de eerste afdeling. Met een derde prijs in de concertwedstrijd en een tweede prijs in de marswedstrijd wordt dat doel niet gehaald. Voorlopig blijft het fanfarecorps in de tweede afdeling hangen.

1948-1949

Kroning Juliana tot koningin

Op 6 september 1948 wordt H.K.H. prinses Juliana gekroond tot koningin. Dat is voor Hoevelaken een reden om feest te vieren.

We zijn te elfder ure door de Oranjevereniging opgeroepen een mars door het dorp te maken. De bedoeling was de mensen mee te trekken naar het feestterrein, doch dit bleek een overbodige gedachte geweest. Het werd een volslagen optocht waar niemand op gerekend had. Na de hele avond de feestvierende mensen met marsmuziek geamuseerd te hebben besloten we de dag met het ‘Wilhelmus’.

Comité van Actie

In november 1948 wordt uit de leden een comité gevormd, dat zich ten doel stelt het fanfarecorps op een hoger peil te brengen. In dit comité hebben zitting dirigent Wakelkamp, voorzitter Gerrit van Deuveren, secretaris H. de Mul, oud-secretaris G. Willigenburg Bzn en lid J. van de Kuilen. Later voegt ook burgemeester jonkheer Snouck Hurgronje zich bij dit Comité van Actie (C.v.A.).

Het eerste voorstel van het C.v.A. is om met de leden een opera te bezoeken.De bedoeling is, om kennis van de muziek en bouw van coulissen op te doen. De mening van de leden is daarover nogal uiteenlopend, zodat er voorlopig van dit eerste actiepunt van het comité direct afstand wordt gedaan.

Het C.v.A. gaat niet bij de pakken neerzitten en zorgt in 1949 voor nieuwe petten, goede verlichting en studieboeken voor muziekkennis.

Serenades krijgen nieuwe invulling

De serenades, zoals die een aantal keren per jaar door het fanfarecorps worden gehouden, zijn tot aan 1949 voornamelijk bestemd voor verjaardagen van belangrijke inwoners en huwelijksfeesten of huwelijksherdenkingen van de leden.

In 1949 komt daar een nieuwe invulling bij. Aan diverse personen wordt een serenade gebracht voor een behouden terugkomst uit Nederlands-Indië.

Oude van dagen

In 1949 gaat het fanfarecorps voor het eerste de straat op voor een mars, waarbij

gecollecteerd wordt voor een uitstapje

voor de ouden van dagen. Ook wordt op het dag van het uitstapje zelf muziek gemaakt. Vanaf 1949 is dat een vast programmapunt van het fanfarecorps.

Mevrouw E. van Vaneveld heeft zich vele jaren voor de bejaarden ingespannen en kan zich de collectes en uitstapjes nog goed herinneren. “Met die muziek erbij waren die collectes altijd heel gezellig”, zegt ze desgevraagd. “Maar wat opvallend was, was dat je bij de gewone mensen het meeste geld kreeg. Zij die het breed hadden gaven soms maar een kwartje”.

De uitstapjes zelf zijn voor de ouden van dagen uit die tijd een groot feest. “Iedereen ging mee, ongeacht de geloofsovertuiging”, zegt Van Vaneveld. “We zijn eens in het dierenpark geweest in Rhenen en we hebben een keer een reisje gemaakt naar een bejaardentehuis in Hengelo. Die mensen waren allemaal in klederdracht en hielden voor ons een dansje”.

Eten en drinken voor onderweg wordt ‘van huis’ meegenomen en door de middenstand verzorgd. “Van bakker Beitler kregen we broodjes, slager Resink verzorgde het vlees en van de VIVO kregen we altijd een consumptie voor de bejaarden”, weet Van Vaneveld nog. “Bij Beitler werd eerst al dat eten ingepakt en dan gingen we op stap, vaak met twee bussen. Langs de weg stonden de mensen te zwaaien en het fanfarecorps zorgde dan voor de muziek. Dat waren hele happenings in die tijd”.

Na vele jaren stopt het collecteren voor de bejaarden en hoeft ook de muziek daarvoor niet meer uit te rukken. “De mensen kregen op een gegeven moment AOW”, zegt Van Vaneveld. “Velen vonden dat de oude van dagen toen hun uitstapje zelf wel konden betalen”.

Sigaretten als stimulans

Ruim twintig jaar is er tijdens jaarvergaderingen gesproken over het grote verzuim tijdens de repetities. Ieder jaar is dit een terugkomend item.

In 1949 wordt er aan dit onderwerp een positieve wending gegeven. Daarvoor wordt een absentielijst in het leven geroepen, die tijdens de jaarlijkse ledenvergadering wordt voorgelezen. Zo ook op 6 april 1949. Daaruit kwam vast te staan, dat E. van Deuveren, T. Florein en Godert Willigenburg dit jaar geen repetitie hebben verzuimd. De voorzitter respecteerde dat voor deze nog zo’n jonge leden en stelde hen als voorbeeld voor sommige oudere leden. Hen werd elk een pakje sigaretten voor de trouwe opkomst aangeboden.

Tijdens de jaarvergadering van 6 april 1950 zijn Van Deuveren en Willigenburg opnieuw de gelukkigen.

In 2007 wordt tijdens een vraaggesprek met Elbert van Deuveren het repetitieverzuim ter sprake gebracht. Er verschijnt een grote, herkenbare lach op zijn gezicht. “De mensen verrekten het om te studeren”, zegt hij. “De repetitieavonden op maandagavond waren voornamelijk gezellige avonden. De mensen kwamen een uurtje blazen voor de gezelligheid. Alleen in de aanloop naar de concoursen werd er wel serieus gerepeteerd, maar verder was het voornamelijk gezelligheid, een avond waar de mensen ook naar uitkijken. Mijn vader bijvoorbeeld had een druk bestaan, maar de maandagavond was voor hem heilig. Dan moest hij naar de muziek”.

Aan gebrek aan kundige leiding kan het gebrek aan studie niet hebben gelegen, volgens Van Deuveren. “Wakelkamp, de dirigent, was een kundig man”, zo zegt hij. “Er werd verteld, dat hij de vijfjarige HBS in drie jaar heeft voltooid. Daarnaast was Wakelkamp een ontzettend begaafd musicus, die enorm veel voor het fanfarecorps heeft betekend. Maar hij heeft geen waar voor zijn geld gehad. Dat die man het 24 jaar als dirigent heeft volgehouden met het talent dat hij had, is me nog een raadsel. Maar waarschijnlijk vond hij het wel gezellig met al die boertjes onder elkaar”.

1950 -1951

Het opnemen van dames bij het fanfarecorps

In 1951 (1950 wordt omschreven als een rustig jaar) is er voor het eerst sprake van mogelijke toetreding van vrouwen als muzikant bij het fanfarecorps. Het is één van de elf punten, die op het lijstje staan van het Comité van Actie. Naast het mogelijk werven van vrouwelijke muzikanten wil het C.v.A. ook aandacht besteden aan de resultaten; het repetitieverzuim (!!); ledenwerving in algemene zin via propaganda (vrouwen, nieuwe leden en oud-leden); thuisrepetitie; het bespelen van een instrument der tamboers; marsen op straat; donateurwerving; en tenslotte het spelen in solo’s, duo’s, trio’s, kwartetten en eventueel septetten.

Om de studie te bevorderen komt de dirigent met het voorstel om deel te nemen aan een solistenconcours. Het is daarbij de bedoeling, dat elk lid daaraan meewerkt, met uitzondering van de tamboers. J. van Deuveren brengt in, dat hij de eis wel een beetje hoog vindt om met een ringbas een solo te blazen. Hij wordt door de voorzitter gerustgesteld met de mededeling, dat voor diegenen een uitzondering wordt gemaakt.

De eerste deelname aan een solistenconcours is op 26 april 1952 in Duivendrecht. P.G. van de Brink (eerste prijs), G. Willigenburg (tweede prijs) en G. van Deuveren, J. van Deuveren, U. Florijn en H. de Mul (derde prijs) zijn op dat concours succesvol.

Op 20 december 1952 volgt een nieuw solistenconcours en ook daarop is een aantal leden succesvol.

Een donateuractie levert het fanfarecorps in 1951 maar liefst 111 donateurs op. Deze actie geeft het corps mede de mogelijk, over te gaan tot het aanschaffen van nieuwe muziekinstrumenten en de noodzakelijke vernikkeling en reparatie van oude instrumenten.

De eerste vrouwelijke leden worden in 1953/1954 verwelkomd. Het zijn Jannie van Roemburg, Alie Roersen en Riek van de Ham. “Er was op dat moment één meisje voor ons lid, Suzie Leinsveld, dus we behoorden tot de eerste meisjes van het dorp”, zegt Jannie Druijff-van Roemburg over deze ‘revolutionaire’ tijd. “Het was zelfs zo, dat er eerst in het bestuur over gestemd moest worden of iemand zich als nieuw lid mocht melden. Onvoorstelbaar als je bedenkt hoe moeilijk het later werd om aan nieuwe leden te komen. Later werd elk nieuw lid met open armen ontvangen”.

Jannie Druijff kan zich haar eerste maanden bij het fanfarecorps nog goed voor de geest halen. “De dirigent, Wakelkamp, vroeg aan mij of ik verstand had van noten. ‘Absoluut niet’, antwoordde ik. ‘Ook niet van walnoten’? vroeg hij toen. Dat geeft wel zo’n beetje de sfeer aan, zoals dat toen ging. Je hoefde dus niet te kunnen spelen om lid te worden. In de praktijk kwam het erop neer, dat je voor de repetities een uur eerder kwam om les te krijgen. Je moest leren noten lezen, de lippentechniek leren om überhaupt geluid uit het blaasinstrument te krijgen, de ventiele grepen leren enzovoorts. Maar we hebben toen goed ons best gedaan, want na een maand of drie mochten we al meespelen met de repetities. En dat, terwijl meneer Wakelkamp gedacht moet hebben dat we zo weer weg waren. We konden geen noot lezen”.

“Al heel snel kregen we ook onze vuurdoop, omdat we meededen aan een concours in Hierden. Daar wonnen we de eerste prijs ook nog”.

“Er was in die tijd nauwelijks een keuze mogelijk voor een bepaald instrument”, gaat Jannie verder. “Je nam gewoon wat er over was. In mijn geval was dat in eerste instantie de cornet. Die was zo oud, dat hij bijna lek was, waardoor je je een ongeluk blies en hij steeds ontstemd raakte. Gelukkig kreeg ik na een paar jaar een nieuw instrument. Dat werd de trompet”.

“De repetities en de uitvoeringen vonden plaats in het oude verenigingsgebouw aan de Stoutenburgerlaan. Naar zo’n uitvoering werd het hele jaar toegewerkt”.

1952 – 1953

Vijfentwintig jaar fanfare Te Hoevelaken

Het kalenderjaar 1952 staat bijna geheel in het teken van de voorbereiding op het 25-jarig bestaan. Om dit heuglijke feit te vieren wordt er een commissie in het leven geroepen, die denkt aan een receptie, een zaterdagavondconcert voor genodigden en donateurs, een avond cabaret en revue voor publiek en een afsluitende feestavond voor leden en vrouwen of verloofden van de vereniging. Op de receptie kan door de vrouwen thee of koffie geschonken worden plus voor de heren een sigaar.

Voor de viering van een kwart eeuw fanfarecorps wordt fl 300,00 uitgetrokken.

Verder is het de bedoeling, een fonds op te richten tot aanschaffing van shirts en stropdas en misschien een eventuele broek. Een vraag van Evert van Wessel naar de mogelijkheid tot aankoop van uniformen krijgt van het bestuur als antwoord, dat dit wegens de hoge kosten ondoenlijk is. Vandaar de keuze van het bestuur voor deze goedkopere oplossing. Het corps blijft derhalve voorlopig ‘in burger’ spelen.

Festiviteiten omtrent het 25-jarig bestaan

Om het 25 jarig bestaan luister bij te zetten organiseert de feestcommissie, bestaande uit de heren J. van Deuveren, E. van Wessel, E. van Roemburg en J. van Leijenhorst, op 24 januari 1953 een receptie. Burgemeester Snouck Hurgonje biedt daarop de vereniging, als blijk van waardering, een dubbele subsidie aan. Dat betekent een bedrag van fl. 250,00 voor het jaar 1953.

Ook beschermheer N.J. van Aalst voert het woord. Hij biedt namens het gevormde erecomité het fanfarecorps het eerste uniform aan, en spreekt de hoop uit, dat het uniformfonds de gelden spoedig bijeen zullen hebben om de gehele vereniging in een uniform te steken.

Mevrouw Wakelkamp biedt de vereniging een miniatuur tamboer aan, in de vorm van een spaarpot voor het uniformfonds,

die terstond gedoopt wordt als ‘Toon’, de drummer van de band. Spontaan wordt de trom gespekt met ruim 90 gulden, waarna mejuffrouw Roersen de honderd gulden vol maakt. Een mooie start voor het uniformfonds.

‘Hoevelaken groeit en bloeit’

Het avondprogramma start met een concert. Daarop geeft ‘Lisiduna’ als verrassing een optreden, waarna het Hoevelakense en Leusdense fanfarecorps ook nog gezamenlijk een aantal nummers ten gehore brengt. Verder dirigeert oud-dirigent Van de Bergh de mars ‘Hoevelaken vooruit’.

Na het muziekprogramma is de beurt aan een zevental leden, om in het zonnetje te worden gezet. Gerrit van Deuveren, Joh. van Deuveren, J. Roersen, Jan van Leijenhorst, Jan van Altena, R. van Leijenhorst en W. van Deuveren zijn al vanaf de oprichting lid en krijgen vanwege dit 25-jarig lidmaatschap door de erevoorzitter een ereteken op de borst gespeld.

Joh. van Deuveren, bestuurslid sinds 27 januari 1930, Gerrit van Deuveren, bestuurslid sinds 15 juni 1931 en Jan van Leijenhorst, bestuurslid sinds 28 april 1933, worden voor hun onophoudelijke bestuurswerk nog eens extra genoemd.

Na de pauze wordt de revue ‘Hoevelaken groeit en bloeit’ opgevoerd, een overzicht van de achterliggende 25 jaar. Secretaris H. de Mul heeft daarvoor het script geschreven, waaruit in het begin van dit boekwerk al is geciteerd.

De avond voor het publiek moet worden uitgesteld. De reden daarvoor is de watersnoodramp in de provincie Zeeland. Als nieuwe datum wordt 7 maart gekozen, maar dat mag de pret niet drukken. Het muziekprogramma op die avond valt goed in de smaak.

De jubileumfeestavond voor leden vindt plaats op 5 september 1953, in de garage bij Evert van Wessel en wordt als bijzonder geslaagd beschreven. Naast het verloten van een taart, ten gunste van het jubileumfonds, wordt er ook een collecte gehouden voor het zieke lid C. Willigenburg. Deze brengt fl. 19,45 op, hiervoor is door zijn moeder een trui gekocht.

1954 en 1955

De fanfare moet zichzelf gaan bedruipen

In de begroting van 1954 is voor het eerst sinds de oprichting van het fanfarecorps geen post ‘subsidie van de beschermheer’ opgenomen. Als reden wordt omschreven, dat Mr. N.J. van Aalst de mening is toegedaan, dat het fanfarecorps zoveel mogelijk zichzelf moet leren bedruipen. Door de verkoop van de muziektent en het binnenhalen van donateurs lukt het de penningmeester, om een sluitende begroting te maken.

Promotie naar de eerste klasse

Ondanks het blijvende repetitieverzuim, Henny de Man verwoordt dat tijdens een jaarvergadering als ‘slappe geest’, promoveert het fanfarecorps op 22 juli 1954 naar de eerste afdeling. Een eerste prijs tijdens een concours in Hierden, met een score van 323 punten, een eerste prijs in de marswedstrijd en een tweede prijs tijdens het ereconcours bewerkstelligen deze promotie.

Op 30 mei 1955 is het debuut in de eerste afdeling tijdens een concours in Wageningen. Het fanfarecorps behaalt daar een tweede prijs met 281 punten.

Op 29 april hebben wij een serenade gebracht bij de familie Kreijkamp aan het Kruispunt Hoevelaken, in verband met het 25-jarig bestaan van de zaak. Daar dit een hotel is, was de traktatie natuurlijk goed.

Fanfarecorps 1954. Staand vlnr: Annie van Vaneveld, Jan van Leijenhorst, Kees Willigenburg, Godert Willigenburg, Johan van Deuveren, Alie Roersen, Jan van Bruggen, Jannie van Roemburg, Riek van de Ham, Gerrit Willigenburg. Voor vlnr: Alie Willigenburg, Evert van Roemburg, Han van de Bunt, Gijs van Leijenhorst, Henk van de Kuilen, daarboven Cees Roersen, Renk van Deuveren. Liggend vlnr: Ep Willigenburg, Rijk van de Mheen en Van Kommer.

1956, 1957 en 1958

Voetballen voor uniformen

Een grote en langgekoesterde wens van de leden van de fanfare is het verkrijgen van eigen uniformen. Tijdens het 25-jarig jubileum in 1953 speelt het fanfarecorps nog altijd in eigen kledij en vormt de pet het enige gemeenschappelijke outfit van de vereniging.

De jeugdgemeenteraad, die in 1953 wordt geïnstalleerd en waarvan Piet Keijzer de jeugdburgemeester is, stelt zich ten doel om tijdens het dertig jarig bestaan van het fanfarecorps nieuwe uniformen te kunnen presenteren. Als initiatiefnemer organiseert Keijzer in de jaren 1956 en 1957 enkele voetbalwedstrijden, waarvan de opbrengst ten goede komt aan het uniformfonds. Dat fonds wordt in zijn geheel beheerd door de jeugdgemeenteraad en staat volkomen los van het fanfarecorps zelf.

De eerste wedstrijd ten behoeven van het uniformfonds vindt plaats op 6 oktober 1956. De gemeente Hoevelaken neemt het in die wedstrijd op tegen een delegatie van de gemeente Leusden en Stoutenburg. De wedstrijd vindt plaats in het bos van de familie Van Aalst. Belangstellenden kunnen komen kijken voor één gulden. De schoolgaande jeugd betaalt een kwartje.

Het team van de Hoevelakense “pennenlikkers”, zoals in die tijd zo charmant betiteld, voor hun wedstrijd tegen de gemeente Leusden en Stoutenburg op 6 oktober 1956. Staand vlnr: Scheidsrechter B. van den Heuvel uit Amersfoort, mr. N.J. van Aalst, Frits Klaarenbeek (huisarts), S.M. Snouck Hurgonje (burgemeester), M.J. van Breda (gemeenteontvanger), Kuiter (hoofd openbare lagere school), Henk J. Jansen, Max van Deuveren (beiden onderwijzer christelijke school), Beentjes (onderwijzer). Geknield vlnr: Harmelink (rijkspolitie), Piet Keijzer (jeugdburgemeester en initiatiefnemer van de wedstrijd), J. Beitler (brandweer) en Van de Kuilen (raadslid).

In 1957 organiseert Piet Keijzer namens de jeugdgemeenteraad vier voetbalwedstrijden. Op 5 juni en 24 augustus 1957 speelt het team van de gemeente twee wedstrijden tegen de middenstanders. Later in het jaar volgen er nog twee wedstrijden tussen de gemeente Hoevelaken en opnieuw die van Leusden en Stoutenburg.

Het team van de middenstanders dat het in 1957 twee maal opneemt tegen de gemeente Hoevelaken bestaat tijdens één van deze wedstrijden uit de volgende ondernemers: Staand vlnr: Koen Schonewille, Henk van Altena, Evert Heining, Wim Resink, Kees Verschuur en Wout Kous. Voor vlnr: Geurt Timmer, Klaas Blok, Johan Fontein, Andries Florijn en Henk Beitler.

De drie gespeelde wedstrijden leveren het uniformfonds geen windeieren op. Wanneer op 6 september 1957 de eerste van twee wedstrijden tegen opnieuw de gemeente Leusden en Stoutenburg op het programma staat moedigt het programmaboekje aan om de duizend gulden vol te maken.

Het is tegenwoordig niet zo’n grote kunst meer om fl. 1000,00 bij elkaar te schoppen, mits je maar tot één van de prominente beroepsvoetballers in den lande behoort. Maar dat dit bedrag in enkele weken door zuivere amateur (niet-) voetballers is bijeengebracht, is zeker wel een prestatie. De penningmeester van het comité, die destijds op zich nam de fanfarecorps van uniformen te voorzien, is hier uiteraard dan ook zeer dankbaar voor.

Dankbaar voor dit bedrag, maar nog niet voldoende voor wat betreft de inhoud van het fonds. Voor de toegezegde uniformen is namelijk een bedrag van zeker fl. 3000,- nodig.

Bij de viering van het 25-jarig bestaan zijn beloften gedaan, volgend jaar viert het corps zijn 30-jarig bestaan. Zou het mogelijk zijn …….

Hier is een ereschuld in te lossen!

Winkelweek met verloting

In diverse plaatsen wordt in de jaren vijftig jaarlijks een winkelweek georganiseerd. De Hoevelakense middenstand is echter niet zo actief in die richting, vandaar dat opnieuw de jeugdgemeenteraad het initiatief neemt om in 1957 een winkelweek te organiseren.

Tijdens de winkelweek staat een groot aantal middenstanders met een stand in het oude verenigingsgebouw. Ook de jeugdgemeenteraad zelf heeft een stand ingericht, waarin de raad aandacht schenkt aan een grote verloting die gaande is ten behoeve van het uniformfonds. “Piet Keijzer vond, dat het bijeen brengen van gelden voor de uniformen met alleen het organiseren van voetbalwedstrijden te lang duurde”, legt Henk van Doornik, destijds raadslid van de jeugdgemeenteraad, in een vraaggesprek in april 2007 uit. “Vandaar dat we ook een verloting hebben georganiseerd”.

Het prijzenpakket bestaat uit een televisie, een solex en een bestekset.

Prijzen bezorgen

“De eerste prijs van de verloting is voor een vertegenwoordiger in fietsen”, zegt Van Doornik. “Die had bij Roersen een lot gekocht. Die man woonde in Arnhem. Piet Keyzer, Marjan, mijn vrouw en ik zijn die t.v. in een gehuurde Volkswagen Kever gaan brengen. Komen we daar aan wordt die vrouw toch kwaad. Verschrikkelijk gewoon. We hadden namelijk tijdens het eten gebeld en die man had direct zijn eten laten staan. Dat werd ons niet in dank afgenomen”.

“De huur van die auto hebben we zelf betaald”, zegt Van Doornik nog. “Uiteindelijk werd dat dus nog een dure prijs”.

Ook het verhaal bij de tweede prijs kent Van Doornik nog. “Die was voor Van Aalst”, zegt hij. “Die had een boekje van vijftig loten gekocht. Van Aalst won de Solex, maar hij had liever een fiets. Die vond hij goedkoper als prijs”.

De derde prijs, de bestekset, gaat naar Van Duinkerken op Middelaar. “Hij nam die prijs aan de deur in ontvangst met een eenvoudig ‘dankjewel’. Een kop koffie kon er niet af”.

De uniformen, de eerste voor het fanfarecorps sinds de oprichting in 1928, worden overhandigd op 10 mei 1958. De levering geschiedt door Gart van Maanen, die ze tegen kostprijs weet te leveren.

Muziekshow 1958

W.A.J.C. Wakelkamp, de dirigent van het Hoevelakense fanfarecorps, is naast zijn werkzaamheden in Hoevelaken tevens dirigent van fanfarecorps ‘Erica’ uit Austerlitz, fanfarecorps ‘St. Joseph’ uit Soesterberg en fanfarecorps ‘Excelsior’ uit Putten.

In 1958 neemt Wakelkamp het initiatief, om met de vier corpsen die hij dirigeert een muziekshow op te zetten. In het programmaboekje legt hij dit als volgt uit: “Wij gaan in 1958 iets groots presteren, iets wat tot nog toe geen voorganger gehad heeft in de loop van onze én van de harmonie- en fanfaregeschiedenis. Wij gaan samenwerken met drie andere verenigingen en een balletgroep voor het verzorgen van een avondprogramma dat dit jaar gepland is voor tenminste één uitvoering in Austerlitz, Hoevelaken, Putten en Soesterberg”.

De achterliggende gedachten formuleert Wakelkamp als volgt: “Mijn opzet is, om de harmonie- en fanfaremuziek weer in de volle belangstelling van de samenleving te doen plaatsen en de gemeente en inwoners dat te bieden waarop zij wachten en toch niet verwachten”.

De gedachtegang van Wakelkamp moet zijn ontstaan vanuit het feit, dat de jaarlijkse concoursen, waaraan deelgenomen kan worden, in het algemeen geen grote massa’s publiek meer trekken. “Men speelt gewoonlijk voor eigen mensen en voor de concurrenten, want zij die vóór U een prijs kregen zijn gewoonlijk meteen al juichend van het terrein verdwenen”.

“De snelle ontwikkeling op velerlei terreinen na de Tweede Wereldoorlog laat ook de harmonie- en fanfaregezelschappen niet onberoerd. De snelle verbindingen ontsluiten verschillende plaatsen uit hun isolement; door inkorting van het arbeidsproces ontstaat meer vrije tijd; door de ontwikkeling der techniek ontstaan meer mogelijkheden; de televisie gaat een belangrijker plaats innemen in de ontspanning; de eisen van het publiek gaan daar mee in gelijke tred.

Eén der belangrijkste symptomen hiervan is het verschuiven van het auditieve opnemen naar het visuele. De reclame, de film, de televisie zijn de stuwende krachten in deze verschuiving, en op elk gebied is deze invloed te constateren, ook bij de harmonie- en fanfaregezelschappen.

Ondanks zware offers worden er uniformen aangemeten; de tambourscorpsen worden drumbands; bij het brengen van marsmuziek wordt er de nodige show bij uitgevoerd, maar verder is men nog niet gekomen.

Dit is ook niet eenvoudig. Toch meen ik in deze muziekshow een oplossing gevonden te hebben, door ook concertnummers een entourage te geven, welke het ondergaan en beleven van een muziekstuk zal vergemakkelijken, waardoor interesse voor die muziek ongetwijfeld groter zal worden, wat dan ook het uiteindelijke doel is wat ik mij met deze muziekshow heb gesteld”.

Jannie Druijff, die in 1958 nog door het leven gaat als Jannie van Roemburg, kan zich de musicaletta, zoals die wordt genoemd, nog goed herinneren. “Wakelkamp was een heel bijzondere en enthousiaste dirigent. Hij koos in die tijd bij de musicaletta voor vrij moderne muziek. Hij maakte de choreografieën en de scenario’s. Zijn vrouw deed mee met haar balletschool en wij waren dagen en nachten bezig met het naaien van kostuums en het maken van decors”.

“Je had er met z’n allen ontzettend veel voor over, want geld was er niet”, gaat Jannie Druijff verder. “Alles moest je zelf maken. Ik denk hier met plezier aan terug, het was een enige tijd. Het was een echte vereniging toen, die veel warmte uitstraalde. Tegenwoordig is het toch allemaal wat oppervlakkiger”.

De muziekshow in Hoevelaken vindt plaats op zaterdag 21 juni 1958 als derde in de rij van vier. Jammer was, dat op deze dag, in ons eigen dorp, het weer niet meewerkte, zodat het erg nat was, door de vele regen op die dag en avond.

Elbert van Deuveren, W. van Deuveren, C. Willigenburg, C. Roersen, E. Willigenburg jr., Frits van de Bunt, G. Willigenburg en E. Willigenburg sr. zitten namens het Hoevelakense fanfarecorps in de werkgroep.

In 1959 krijgt de muziekshow een vervolg, welke voor ons dorp vrij goed geslaagd is.

1959

Het fanfarecorps krijgt een trommelclub

In 1959 stelt het fanfarecorps zich ten doel, om een trommelclub in het leven te roepen. Op 27 en 28 februari 1959 wordt daarvoor een bazaar gehouden, die netto fl. 1901,36 opbrengt.

De trommelclub start met twaalf leden, hetwelk zeer zeker een beter aanzien van ons corps heeft gekregen als wij op de weg marscheren.

Het oefenen geschiedt bij E. Willigenburg.

De eerste dirigent van de trommelclub, die later onder de naam drumband door het leven zal gaan, is Henk Hulsdouw uit Soesterberg. Frits van Hussel herinnert zich Hulsdouw als een statige man, die goed les kan geven. Maar volgens Jannie Druijff is Hulsdouw vooral een showbink. “Alleen al de manier waarop hij zijn stok omhoog gooide …. “.

Op 6 juni 1960 neemt de drumband voor het eerst deel aan een concours. In Garderen wordt een tweede prijs behaald.

Op 10 december krijgt de drumband een eigen vlag, die wordt gemaakt door mevrouw Hulsdouw.

Als opvolger voor Henk Hulsdouw komt op 5 september 1965 Wim van Laar uit Hoogland als dirigent naar Hoevelaken. Vanwege ziekte wordt hij in 1968 opgevolgd door de heer Veenhof. Die blijft tot 27 januari 1973 aan en wordt als tamboer-maître opgevolgd door Hans van Laar.

Allard Beitler komt als tienjarig jongetje in 1979 bij de drumband. “Het drummen vond ik het leukste daaraan” zegt Allard in een gesprek in 2007. “Ik ben een blauwe maandag wezen kijken. Wanneer je de drumrichting op wilde, dan moest je achter het drumstel. Helaas hadden ze daar al iemand voor. Het liefst had ik zelf een drumstel willen aanschaffen, maar dan zit je toch met de buren”.

Toch moest Allard ook zonder drumstel thuis op zijn trommel oefenen. “Maar daar heb ik van de buren nooit klachten over gehad”.

De drumband wordt in de tijd dat Allard er bij zit gedirigeerd door Hans van Laar. “Daar heb ik veel van geleerd”, zegt hij. “Van Laar had het goed in de hand”.

Voor een kind blijkt het meedoen met de drumband niet ongevaarlijk. “Ik kan me een Koninginnedag herinneren, waarin we in de brandende zon stonden”, zegt Allard. “Er was een toespraak op het bordes. Op een gegeven moment begon ik sterretjes te zien. Het werd zwart en oranje voor mijn ogen. De vrouw van Frits van Hussel heeft me toen nog opgevangen”.

De beste herinneringen heeft Allard Beitler aan de taptoes bij Huize Hoevelaken en de Veluwe Wandeltocht in Nijkerk. “Op het parkeerterrein van de Topkring gingen we daar altijd voor oefenen. Dan moesten we marcheren en bochten lopen”.

Wanneer in 1983 de fanfare overgaat in Big Band, is ook de muziekcarrière van Allard ten einde. “De sfeer was altijd hartstikke goed. Dat is één van de redenen waarom ik erbij ben gebleven. Onder elkaar ging het ook heel goed. Van leeftijdsverschil merkte je niet veel. Je speelde met dorpsgenoten en dan gaf een onderling sterk dorpsgevoel”.

Tot slot zegt Allard: “Ik had gevoel voor ritme. Nu ook nog, maar ik doe er niks meer mee. En het drumstel is er ook later niet gekomen”.

1961

Hoevelaken krijgt een dorpshuis

“De Stuw”

Op 24 maart 1961 krijgt Hoevelaken voor het eerst een dorpshuis. De opening daarvan geschied door de commissaris van de Koningin en uiteraard wordt muzikale omlijsting verzorgd door “Te Hoevelaken”, in een gezamenlijk optreden van het fanfarecorps en de drumband.

Een dag later, op 25 maart, wordt er in het nieuwe dorpshuis een culturele avond georganiseerd. Het doel is, dat de opbrengst hiervan bestemd is tot aanschaf van een stofzuiger voor het schoonhouden van “De Stuw”.

“De Stuw” wordt ook het nieuwe repetitielokaal van het fanfarecorps. Al op 27 maart vindt in het nieuwe dorpshuis de eerste repetitie plaats.

1962

Liefde, en niet alleen voor de muziek

In 1962 vinden er twee huwelijken plaats. Op 17 mei trouwen Jannie van Roemburg en Bert Druijff.

Op 23 augustus geven Annie van Vaneveld en Henk van de Kleut elkaar het jawoord.

Genoemde huwelijken zijn voor het fanfarecorps niet zomaar een huwelijk, zoals in de notulen te lezen valt. “Twee leden zijn dit jaar met twee leden van de vereniging getrouwd. Dat is in de geschiedenis van het fanfarecorps nog niet voorgekomen”.

1963

35-jarig bestaan

Tijdens één van de bestuursvergaderingen komt het 35-jarig bestaan van het fanfarecorps ter sprake. Dit punt is snel afgehandeld, want voorzitter Gerrit van Deuveren stelt voor om dit feit, gezien de slechte financiële situatie van de vereniging, geruisloos voorbij te laten gaan.

Wanneer erevoorzitter burgemeester E. Ph. Veen in de ledenvergadering van 26 april 1962 het zevende lustrum opnieuw ter sprake brengt, met als mening dat het wel wenselijk is dat te vieren, wordt er een comité in het leven geroepen om aan het 35-jarig bestaan alsnog aandacht te schenken.

Het 35-jarig bestaan wordt herdacht met een receptie op 19 januari 1963. De receptie wordt druk bezocht. Diverse verenigingen uit het dorp, alsmede enkele zusterverenigingen uit de omgeving komen hun felicitaties brengen. Erevoorzitter Veen overhandigt de vereniging, namens de inwoners van Hoevelaken, dertig opvouwbare lessenaars. Dit cadeau wordt als een nuttig geschenk dankbaar aanvaard, vooral omdat de oude lessenaars net zo oud zijn als de vereniging zelf. Daarnaast is er een enveloppe met een inhoud van fl. 808,75, eveneens namens de Hoevelakense inwoners. Gezien de slechte financiële situatie is ook dat geschenk van harte welkom. Het bestuur besluit van dit bedrag een muziekinstrument aan te schaffen.

Op 23 februari 1963 verzorgt de vereniging een jubileumavond, met een gecombineerd programma van muziek en toneel. De opkomst is massaal en het programma valt goed in de smaak. Het publiek is er tevens getuige van, dat drie leden worden gehuldigd vanwege hun 35-jarig lidmaatschap als werkend lid. Deze leden, G. van Deuveren, W. van Deuveren en J. van Leijenhorst, krijgen daarvoor een medaille opgespeld.

Op zaterdag 21 september 1963 wordt het nieuwe voetbalveld aan de Sportweg geopend. Uiteraard is de fanfare ter plaatse, om opening te begeleiden.

Scan0013

Vlnr: Rein van Deuveren, Job ‘Otje’ Willigeburg (bekkens), Gart Willigenburg, Piet van de Brink (Sax), Cees Willigenburg.

 

1966

En opeens zijn daar de majorettes

Het is in de tweede helft van de jaren zestig, dat het fanfarecorps “Te Hoevelaken” bij gelegenheden niet meer alleen de straat op hoeft. Door de oprichting van een majorettecorps in november 1966, beter bekend onder de naam “Lock Light Girls”, ontstaat er een vorm van samenwerking tussen fanfare en majorettes, die het muzikale gedeelten van diverse optredens een meer showachtig karakter geeft. Ook het muzikale straatbeeld verandert daarmee, want de majorettes begeleiden het fanfarecorps vanaf die tijd regelmatig tijdens hun marsen.

Een gezamenlijk optreden tussen fanfare en majorettes is eenvoudig realiseerbaar, omdat alle shows zijn gebaseerd op een ritme van acht of zestien maten. De majorettes kunnen daardoor op elke willekeurige marsmuziek optreden.

Het initiatief tot oprichting van een majorettecorps komt van Ria Lock, die samen met haar vriendin Alice Ligthart de Lock Light Girls formeert. In een verhaal over 15 jaar Lock Light Girls in Hoevelaken vertelt Ria Lock het oprichtingsverhaal aan Josien Enklaar.

“Destijds werd ik benaderd door de Raad van Elf”, zegt zij. “Een carnavalsvereniging was er nog niet, het was meer een ‘herenclub’, die wel al elk jaar een carnavalsfeest organiseerde voor de inwoners van Hoevelaken. Joop Tieland was degene, die er mee kwam en het grappige was, dat mijn vriendin Alice, met wie ik samen op Hellas turnde, door Ad Kools was benaderd”.

“Op een avond, toen we tijdens een Europacupwedstrijd samen bij de televisie zaten, kwamen we erover te spreken. Eerst hebben we mensen bij Hellas gevraagd, maar die voelden er niet veel voor. Toen hebben we zelf maar een groepje gevormd, samen met Lies Roersen, Joke van Brummelen en Ria van Altena, die toen 15, 16 jaar waren. Zo ontstond in november 1966 het eerste majorettegroepje, eigenlijk alleen maar voor één carnavalsavond. We hadden nooit gedacht, dat het zou uitgroeien tot een heel majorettecorps”.

“In die tijd had de Hoevelakense fanfare een boerenkapel”, gaat Ria Lock verder. “Die gingen ook naar De Leutbroeken in Amersfoort. Vanwege het succes van het carnavalsoptreden in Hoevelaken werden we als majorettegroepje meegevraagd. Wij zagen dat wel zitten, want het leek ons ook wel leuk om buiten op te treden met fanfare en drumband”.

Voortgang

Ria Lock en Alice Lighthart zien het na het carnavalssucces ook zitten, om het majoretteverhaal een vervolg te geven. Maar zij hebben zo hun twijfels. “Wil dat wel in een dorp als Hoevelaken”, vragen zij zich af. Maar die vraag wordt snel beantwoord met ja. Op een advertentie reageren in korte tijd een kleine 25 meisjes vanaf veertien jaar vanuit de hele omgeving. Via burgemeester Veen krijgt het nieuwbakken corps oefenruimte in De Stuw en later het Verenigingsgebouw aan de Stoutenburgerlaan. Een majorettecorps is daarmee geboren.

Koningin Beatrix bezoekt De Stuw in Hoevelaken en geniet van de majorettes

Serieuze bezigheid

Het majorettecorps blijkt geen speeltuin voor jonge meiden. Naast het plezier die de majorettes uiteraard aan hun hobby beleven is het corps een serieuze aangelegenheid. In 1969 sluiten de majorettes zich aan bij de KNF (Koninklijke Federatie van muziekverenigingen) en bij het Veluws Tamboerverband.

In 1973 doet het majorettecorps voor het eerst mee aan een concours. Tijdens dit Hoogovenmuziekconcours wordt in de introductieklasse een eerste prijs behaald. Voor Ria Lock, Alice Ligthart en de majorettes is dat een kroontje op het vele werk. In 1981 komt het majorettecorps al uit in de eerste divisie en is het streven om ooit naar de eredivisie te promoveren.

De majorettes leiden in de zeventiger en tachtiger jaren een druk bestaan. Voor vrijwel iedere zaterdag is er wel een uitnodiging: taptoes, festivals, wandeltochten, bloemencorso’s, bij diverse evenementen zijn de majorettes van de partij. Meer nog buiten, dan binnen Hoevelaken. “En de samenwerking met de Hoevelakense fanfare, maar ook met muziekcorpsen van buiten Hoevelaken, is altijd goed”.

1966 De boerenkapel

Op 28 februari 1966 neemt een deel van het fanfarecorps voor het eerst deel aan het carnavalsgedruis. Als hofkapel begeleid dit selecte gezelschap prins carnaval.

In de navolgende jaren wordt als boerenkapel jaarlijks aan de carnavalsfeesten deelgenomen. “Dat was altijd heel erg gezellig”, zegt Frits van Hussel, één van de boerenkapelleden. “Je kreeg zelf weinig van de carnaval mee, omdat je altijd aan het spelen was. Wanneer het carnavalsseizoen voorbij was, dan was je het ook wel goed zat. Je was twee maanden lang bijna ieder weekend kwijt. We hebben een jaar gehad, dat we van januari tot maart 23 keer zijn weg geweest. Maar voor carnavalsfeestjes buitenshuis kon je veel verdienen. Voor het fanfarecorps waren dat in die tijd goede inkomsten”.

Beraadslagingen 1967

Tijdens de beraadslagingen over de gemeentebegroting van het college en gemeenteraad op 30 november 1967 komt ook de subsidie van het fanfarecorps ter sprake. Jaarlijks lopen de subsidies voor het fanfarecorps met 50 gulden op, en wanneer het voorstel ter sprake komt om de fanfare fl. 1250,00 subsidie toe te kennen, merkt raadslid Jan Kempen op, dat Hoevelaken maar weinig plezier van zijn fanfares heeft. “Bij feestdagen halen wij soms een korps van buiten”, zo zegt hij.

Burgemeester Veen, die tevens erevoorzitter van het fanfarecorps is, weet de boel te sussen door aan te tonen, dat er wel degelijk iets aan is gedaan om de fanfare nieuw leven in te blazen.

1968 Het 40-jarig bestaan

Verslag receptie op 20 januari 1968

De belangstelling voor deze receptie was overweldigend. De burgemeester en wethouders alsmede een gedeelte van de gemeenteraad waren aanwezig. Verder waren praktisch alle zusterverenigingen vertegenwoordigd. Tevens de verenigingen uit de omtrek, o.a. Leusden, Soesterberg, Austerlitz, Putten, Terschuur, Barneveld, Nijkerk, Nijkerkveen en Voorthuizen.

Als eerste in de rij van sprekers opende burgemeester Veen de rij. Hij zei de fanfare en haar leden voldoende te kennen om ons toe te spreken als vrienden. Het is niet bij benadering te zeggen hoeveel onze fanfare medewerking heeft verleend bij verschillende evenementen in deze 40 jaar.

Haast spreekwoordelijk is het, zo zei hij, dat de fanfare altijd bereid is geweest te spelen bij allerhande gebeurtenissen. Daarom is de fanfare ook niet weg te denken uit onze gemeenschap. Het verheugde hem dan ook, dat het hare Majesteit behaagd heeft de voorzitter, de heer G. van Deuveren, te onderscheiden met de eremedaille in zilver, verbonden aan de Orde van Oranje Nassau. Hem werd die onderscheiding verleend voor zijn grote verdiensten voor de gemeenschap, niet alleen als lid en bestuurslid van de fanfare, maar ook als lid van het mannenkoor en de woning adviescommissie.

Hierna kwam de Raad van Elf op originele wijze binnen om ons geluk te wensen. Onafgebroken kwamen de bezoekers binnen, welke op vlotte wijze bediend werden door enkele vrouwen van de leden.

Het duurde dan ook even eer de voorzitter de gelegenheid kreeg zijn dankwoord uit te spreken. Hij was zeer verheugd over de grote belangstelling en de waardering voor ons korps. Er zijn in deze veertig jaren problemen geweest, maar gelukkig hebben we gezamenlijk zoveel wijsheid kunnen opbrengen, dat deze altijd weer opgelost werden. Hij dankte voor de bereidheid van gemeente en burgerij om de fanfare financieel te steunen.

Hij ging even terug in de historie. In 1928 werd de fanfare opgericht. De leden kregen eerst drie maanden theorie, waarna de uitreiking van de instrumenten volgde. De kracht van de fanfare heeft altijd gelegen in de medewerking van de leden. Hij dankte de heer Van de Bergh, die bijna 19 jaar dirigent is geweest, alsmede de huidige dirigent, de heer Wakelkamp. Hij sprak de hoop uit, dat onder zijn leiding de fanfare een bloeiende vereniging zal blijven.

Hierna nam de dirigent het woord. Hij herdacht de overleden leden van de fanfare. Ook de oprichters zijn ons velen door dood ontvallen. Op zeer ontroerende wijze dankte hij de oudere leden wat zij zoal voor de vereniging hebben gedaan.

Namens de Koninklijke Nederlandse Federatie kwam voorzitter de heer Evers ons feliciteren. Het deed hem een groot genoegen aan twee onzer leden, namelijk de voorzitter de heer G. van Deuveren en ons lid, de heer W. van Deuveren, de gouden speld met oorkonde uit te kunnen reiken. Tevens kreeg ons lid de heer O. Willigenburg de zilveren speld met oorkonde voor 25 jaar lidmaatschap. Volgens spreker leden om trots op te zijn en een voorbeeld voor de jeugd.

Al met al een zeer geslaagde dag, waar we allen met veel plezier op kunnen terug zien.

P.G. van de Brink, secretaris

De feestavond, die hoort bij het 40-jarig jubileum, wordt gehouden op 7 juni 1968.

1971-1972

Nieuwe instrumenten en een afscheid nemend dirigent

Nieuwe instrumenten

Na jaren geklaag te hebben moeten aanhoren over uit elkaar vallende muziekinstrumenten is op 22 januari 1971 het eindelijk een feit, dat het fanfarecorps een nieuw instrumentarium krijgt. De nieuwe instrumenten, waarvoor een lening bij de gemeente is aangegaan, worden tijdens een uitvoering overhandigd door burgemeester en erevoorzitter E.Ph. Veen. De maanden mei en juni worden gebruikt om middels rondgangen door het hele dorp de nieuwe instrumenten aan de bevolking te laten zien en horen.

Tijdens dezelfde uitvoering neemt dirigent Wakelkamp afscheid van de Hoevelakense fanfare. Hij heeft maar liefst 24 jaar de Hoevelakense muzikanten begeleid en wanneer de notulen over al die jaren mogen worden geloofd, moet dat met engelengeduld zijn gedaan. Jaarlijks worden er in de notulen notities gemaakt over het royale repetitieverzuim en de slechte thuisstudie, maar ondanks dat heeft de heer Wakelkamp toch bijna een kwart eeuw de Hoevelakense fanfare met kunde en plezier geleid.

Brammetje

Het stokje wordt overgenomen door Jos van de Bergh. Hij is de zoon van de dirigent, die vanaf de oprichting in 1928 tot net na de oorlog in 1946 als directeur/dirigent de scepter zwaaide over het muziekgedeelte van de Hoevelakense fanfare. “Wij noemden hem altijd Brammetje”, zegt Frits van Hussel. “Zo werd hij ook door zijn collega’s genoemd. Van de Bergh vond dat niet erg. Hij was er wel trots op”.

Op 12 november 1971 wordt het startschot gegeven voor de actie, die uiteindelijk nieuwe uniformen moeten opleveren. Tot de acties behoren onder andere een muziekoptreden tijdens de lorrenmarkt op de Wiekslag tijdens Koninginnedag 1972 en een donateuractie, waarvoor we in de maanden juni, september en een gedeelte van oktober heel Hoevelaken hebben uitgekamd.

Een enveloppenactie van de middenstand levert voor het uniformfonds een bedrag op van fl. 2560,00

De uniformen worden in april 1973 aangeboden.

Afscheid burgemeester Veen

Op 8 januari 1972 wordt burgemeester Veen gehuldigd voor het feit, dat hij 12½ de eerste inwoner van Hoevelaken is. Van het ingezamelde geld voor dit jubileum staat hij spontaan een gedeelte af aan het uniformfonds.

Twee maanden later moet Hoevelaken al afscheid van burgemeester Veen nemen. Hij aanvaardt een ambtsbetrekking als burgemeester van Ermelo. Het fanfarecorps is daarmee niet gelukkig, want met het vertrek van Veen verliest de vereniging ook haar geprezen erevoorzitter. We moeten nog maar zien, dat we een dergelijk actief persoon terug krijgen.

Rechtstreeks in de uitzending

In april 1972 helpt het fanfarecorps een programma verzorgen voor een rechtstreekse uitzending van de streekomroep R.O.N.O., wat voor ons een hele ervaring was.

1978

Naar Soestdijk in vijftig jarig bestaan

Het jubileumjaar 1978 is een jaar met louter hoogtepunten. De rij met activiteiten begint al in januari, waarin het fanfarecorps door het gemeentebestuur een receptie krijgt aangeboden ter gelegenheid van het vijftig jarig bestaan. Tijdens die receptie wordt een aantal leden onderscheiden voor hun jarenlange trouwe dienst bij het fanfarecorps.

De jubileumactiviteiten, die bij het vijftigjarige bestaan horen, vinden op 17 juni plaats, en bestaan uit de komst van diverse muziekkorpsen en een vereniging van vaandelzwaaiers.

Naar Soestdijk

Hét hoogtepunt in 1978 is de gang naar Paleis Soestdijk. In de tuin van het paleis nodigt koningin Juliana een aantal weken na Koninginnedag de Oranjeverenigingen van Nederland uit, omdat zij uit hun monden wel eens wil horen dat Oranjeverenigingen in Nederland niet zieltogend zijn en dat er, zolang er Oranje is, er ook reden is om feest te vieren. Maar dan wel vanuit één overkoepelende organisatie en niet een aparte federatie op algemene grondslag én een aparte bond geschoeid op protestants-christelijke leest.

Naast de Hoevelakense Oranjevereniging gaat ook het fanfarecorps mee naar Soestdijk. “Schitterend, een unieke gebeurtenis”, zegt Elbert van Deuveren in een vraaggesprek in 2007.

De tachtiger jaren: Het einde nadert

Dringend koperblazers nodig

“Op Koninginnedag, bij de avondvierdaagse, het inhalen van de bejaarden, de wielerronde, de intocht van Sinterklaas, de kerstsamenzang en enkele andere incidentele gelegenheden is de fanfare niet meer weg te denken. Al jarenlang is dit muziekkorps een vertrouwd beeld voor de Hoevelakers. Het is duidelijk dat dat zo moet blijven”.

Met bovenstaande woorden opent de verslaggever van het Hoevelakens Nieuwsblad op woensdag 21 oktober 1980 een artikel over het fanfarekorps, waarin door “Te Hoevelaken” luid en duidelijk de noodklok wordt geluid.

Wat is er aan de hand? Het voortbestaan van fanfarecorps “Te Hoevelaken” hangt aan een zijden draadje. Er zijn namelijk te weinig koperblazers op het ‘grote koper’ (bas en tuba), hetgeen inhoudt dat de verhouding in het korps tussen de spelers op de verschillende muziekinstrumenten totaal zoek is. “Voor een leek valt het niet zo heel erg op”, gaat het artikel verder, “maar iemand die een beetje verstand heeft van muziek merkt het wel en vooral voor de spelers zelf is het spelen op deze manier niet zo inspirerend. Het risico bestaat, dat wegens het onbevredigende spel meer mensen in de toekomst uit het korps zullen stappen, als niet snel wordt aangevuld met een aantal bas- en tubaspelers”.

Opdrogen?

In genoemd artikel legt voorzitter Rob Zijlstra de noodsituatie nader uit. “We zijn geen volwaardig korps meer, want de verdeling moet goed zijn. Je speelt niet lekker meer. Je gaat nu namelijk veel te veel blazen, overblazen. Jan Meinten doet nu al het werk op de baritonsaxofoon, en dat is veel te weinig. Als dat te lang zo blijft, heb je kans dat andere goeden het niet meer zien zitten. Onderling hebben we al eens geschoven, maar dat haalt verder niet veel uit. We hebben gewoon nog twee bassisten en een stuk of drie tubaspelers nodig. Ook schuiftrombonisten kunnen we gebruiken. Het liefst hebben we mensen die spelen, maar dat is niet strikt noodzakelijk. Zij kunnen ook worden opgeleid. Het muziekinstrument krijg je”.

“Twee jaar geleden konden we nog naar een concours gaan”, gaat Zijlstra verder. “We hebben daar zelfs nog een tweede prijs behaald. Zoiets kan nu helemaal niet meer. Moet het hier dan net zo gaan als in Nijkerk, waar het langzamerhand opdroogde en een korps net is opgeheven? Dat vinden wij niet. Wij willen de zaak draaiende houden”.

Enquête

Het verhaal over het fanfarekorps in nood krijgt een vervolg in het oktober 1982. De terugloop van het aantal leden neemt toe en voor dirigent Sander Steenbeek is dat een reden, om met de begeleiding van het korps te stoppen. Hij ziet het door de leegloop niet meer zitten, maar geeft wel aan direct te willen terugkeren wanneer het korps weer op een volwaardig peil komt.

Dirigent Sander Steenbeek

Vanwege de crisissituatie wordt een extra algemene ledenvergadering uitgeschreven en tevens een enquête gehouden onder de leden. Het resultaat van die enquête is, dat het overgrote deel van de leden er voorstander van is om de vereniging te laten voortbestaan. Daarvoor hoeft dan niet getracht te worden een nieuwe dirigent aan te trekken.

Om aandacht te besteden aan de noodsituatie waarin het korps verkeert heeft verslaggeefster Josien Enklaar van het Hoevelakens Nieuwsblad een onderhoud met vijf enthousiaste muzikanten van “Te Hoevelaken”: voorzitter Rob Zijlstra, Henk van Duinkerken, Jannie Druijff- van Roemburg, Piet van den Brink en Henk van den Boom. Van dit vijftal is Rob Zijstra het meest optimistisch. Hij vindt het essentieel, dat men door blijft blazen tijdens repetities, “want als de vereniging echt op z’n rug ligt en wordt opgeheven gaan de leden naar een andere vereniging en krijg je ze nooit meer terug”.

“Het vijftig jarig jubileum is nog groots geweest”, vindt Zijlstra. “Net als bij pianoles moeten kinderen door een bepaalde fase heen dat het niet leuk is, dan begint het pas leuk te worden”.

Zijstra wil proberen om jeugdleden naar de muziekschool te krijgen, waar een gesubsidieerde opleiding is voor harmonie/fanfare en ook voor slagwerkers, om op deze manier een grondige opbouw vanuit de jeugd te krijgen. Het nadeel is echter, dat zo’n opleiding pas na een aantal jaren haar vruchten afwerpt.

Henk van de Boom voorziet, dat een dergelijke situatie nooit lang kan duren. Hij voorspelt, dat wanneer er nu gelijmd wordt, over drie maanden hetzelfde probleem ontstaat. “Tenzij er vijf nieuwe blazers gevonden worden, die kwalitatief beter zouden zijn dan wat er nu is. Zo niet, dan moet er in een andere richting worden gezocht”.

“De fanfare moet voldoende bieden om op de eerste plaats te komen en niet pas na de sportverenigingen, zoals nu vaak gebeurt”, zegt Van den Boom verder. “Je moet er ook tijd voor over hebben”.

Piet van den Brink meent, dat het peil van de club valt op te vijzelen door naast repetities ook veel voor jezelf te oefenen. “Maar aan deze mentaliteit heeft het bij de meeste leden altijd ontbroken. En blies je op de repetities een stuk niet goed, nou dan de volgende keer beter. Daar werd altijd heel gemakkelijk over gedacht”.

Hoe het met het fanfarecorps zo ver heeft kunnen komen, daarvoor heeft Jannie Druijff wel een verklaring. “Er bestaat steeds minder animo om lid van de fanfare te worden”, zegt ze. “Vooral de jeugd laat het afweten. Ik wijt dit aan de steeds groter wordende concurrentie van sportverenigingen en andere ontspanningsmogelijkheden. Bovendien wil de jeugd ook niet meer met zo’n apenpakje de straat op. Elke keer als ze naar de middelbare school gaan, zijn we ze kwijt. Er komt steeds meer verval en met tien man kun je de straat niet meer op. Op een gegeven moment waren we zelfs met vijf mensen over. We hebben nog wel geprobeerd het tij te keren. We zijn huis aan huis mensen langs gegaan om donateur te worden. Dat leverde wel financiële armslag op, maar geen leden. We zijn zelfs als reclame regelmatig door het dorp gegaan met het corps, zelfs op een boerenwagen. Maar het lukte niet”.

Showkorps

Die andere richting zou een showkorps kunnen zijn van de jonge jongens die in de drumband spelen, in samenwerking met de majorettes. Er gaan inmiddels stemmen op, om die richting uit te gaan.

Majoretteleidster Ria Lock ziet dat wel zitten, vooral omdat zij al langer met dergelijke plannen rond loopt. Maar eerst wil ze afwachten hoe de zaken zich verder ontwikkelen. Zit er geen leven meer in de fanfare, dan heeft zij veel zin om met de overgebleven jongens van de drumband de showkant op te gaan.

Tussentijds

In de tussenliggende jaren zit het fanfarekorps op muzikaal gebied niet stil. Tijdens de jaarlijkse uitvoering in februari 1982 wordt een geslaagd concert gegeven en ook tijdens de viering van 850 jaar Hoevelaken in september ’82 laat het fanfarekorps zich tijdens de taptoe van haar beste kant zien. Er wordt zelfs voorzichtig gesproken over het begin van een traditie.

Nog meer ellende

In februari 1983 wordt het noodlijdende fanfarecorps geconfronteerd met nog meer tegenslag. De gemeente eist, dat “Te Hoevelaken” voor 1 maart 1983 het restant van een lening aflost, op straffe dat de uitbetaling van de subsidie over 1983 wordt opgeschort.

Wat is er aan de hand? In 1970 sluit het fanfarecorps een renteloze lening met de gemeente af. Daar zou overeengekomen zijn, dat jaarlijks op 1 november 500 gulden zou worden afbetaald. Volgens de gemeente gaat dat tot 1979 goed, maar blijven de betalingen over 1980, 1981 en 1982 achter.

De visie van het fanfarecorps is echter een andere. Voorzitter Rob Zijlstra in de pers van destijds: “Er is in een soort gentlemen’s agreement overeengekomen, dat die 500 gulden niet rechtstreeks door de vereniging zou worden afgelost. Het zou bij de gemeente intern geregeld worden. Dat wil zeggen, dat het uit één of ander potje zou komen en dan van de linkerhand naar de rechterhand van de betreffende ambtenaar gaan en daarmee zou de lening dan worden afgelost. De gemeenteraad mocht dat natuurlijk niet weten, vandaar dat het niet zwart op wit staat. Maar ik heb gebeld met burgemeester Veen en hij bevestigde dat er een dergelijke afspraak is gemaakt. In onze boeken is die 500 gulden ook nergens terug te vinden. Behalve in 1979, toen de nieuwe penningmeester per ongeluk, na een aanmaning van de gemeente, betaald heeft. We hebben nog geprobeerd om het geld terug te krijgen, maar dat is niet gelukt”.

Oud-burgemeester Veen, in zijn ambtsperiode in Hoevelaken tevens erevoorzitter van het fanfarecorps, noemt het ‘flauwekul’ dat de gemeente een renteloze lening zou hebben verstrekt, die bovendien niet afbetaald hoefde te worden terwijl de raad daar buiten zou zijn gehouden. “Daar zou ik natuurlijk nooit aan meewerken”, zo verklaart hij. “In mijn tijd, en daar steek ik mijn handen voor in het vuur, is er pertinent geen sprake geweest van één of ander potje. Laat staan dat er stiekem iets uit betaald zou kunnen worden”.

Fanfarecorps gaat verder als Big Band Swinging Sounds

In de statuten van Fanfare corps ‘Te Hoevelaken’ staat vast, dat in geval de muziekvereniging ter ziele zou gaan de beschikbare gelden, tezamen met de opbrengst van de verkochte inventaris, aan een goed doel moeten worden besteed. Dat is bij elkaar een aardig bedrag. Vandaar dat onder invloed van Rob Zijlstra gezocht wordt naar een manier om toch in verenigingsverband door te kunnen blijven draaien. Dat luidt het ontstaan in van Big Band Swinging Sounds.

Jannie Druijff – van Roemburg is één van de fanfareleden, die meegaat naar de Big Band. “Ik hoopte in mijn achterhoofd, dat er ooit weer een fanfare opgericht zou worden”, is haar uitleg. “Met die gedachte heb ik zelfs tien jaar lang alle uniformen, trommels en dergelijke bij mij op zolder bewaard. Maar ja, die kleding moest elke keer gelucht worden en voorzien van de nodige mottenballen. Ondanks dat werden ze er op den duur niet beter op, vandaar dat ze in 1993 allemaal verkocht zijn. De uniformen gingen naar het Waterlooplein en de instrumenten zijn verkocht aan andere muziekverenigingen, waaronder die in Nijkerkerveen. Ik had in die tijd de hoop opgegeven dat er ooit nog een eigen fanfare door het dorp zou lopen. Dat vind ik ontzettend jammer, want wat is een dorp zonder fanfare?”

De overgang van fanfare naar Big Band is voor Jannie Druijff geen gemakkelijke geweest. “Het is heel andere muziek”, legt ze uit. “Het syncopische wat erin zit, het napikken, het ritme, de techniek. Fanfaremuziek heeft een vast ritme, daar gaat het meer om de melodielijn. Dat ligt me meer dan die ‘zwaardere’ nummers. Al zijn er best nummers die ik mooi vind”.

Toewerken naar eerste optreden

Onder leiding van Gerrit van Kolfschoten werkt de Big Band een jaar lang toen naar het eerste optreden. Van Kolfschoten, leraar Frans, komt met de Big Band in contact via Rob Zijlstra. Zijlstra vraagt Van Kolfschoten, die tot dan toe een jaar lang begeleider is van de Dixielandband E8, de resterende leden van de fanfare op te leiden tot spelers in een band. Van Kolfschoten vindt dat een hele uitdaging en gaat met de leden aan de slag. “Eigenlijk sta ik niet voor de groep als dirigent”, zegt Gerrit van Kolfschoten, voor wie muziek geen vak is, maar een hobby. “Uit ervaring weet ik hoe ik anderen muziek kan bijbrengen. Doordat ik uit een muzikale familie kom, gaat alles op gevoel. Een opleiding heb ik nooit gehad”.

“Mijn vader had een trompet, waar ik elke dag aan zat. Ik kon er gewoon niet afblijven en heb er zo zelf op leren spelen. Lange tijd heb ik in een harmonie gespeeld en later zelf een dixielandband opgericht”.

Op 8 maart 1985 is het zover, dat de Big Band hun eerste optreden kan verzorgen. Van Kolfschoten heeft er anderhalf jaar voor nodig gehad, om de leden zover te krijgen. “Je kunt merken, dat de leden altijd harmoniemuziek hebben gemaakt”, zegt hij in 1985 vlak na het eerste optreden. “Nu moeten ze syncopische muziek spelen. Daar moeten ze erg aan wennen. Ze hebben er veel moeite mee en raken nogal eens in de war door het maatverschil. Maar nu, na anderhalf jaar oefenen, gaat het vele malen beter. Vooral de saxgroep speelt goed. Je kunt merken, dat ze gewend waren op straat te spelen. Het ging allemaal nogal hard. Zacht spelen is veel moeilijker”.

Ondanks het grote verschil in muziekstijlen houdt Jannie Druiff het ruim elf jaar vol bij de Big Band. Op 12 januari 1994 wordt ze door haar collega-muzikanten in het zonnetje gezet vanwege haar veertigjarige jubileum bij de muziek.

Geen bestuursbeest

In haar jaren als lid van het fanfarecorps en de Big Band steekt Jannie Druijff veel tijd in allerlei nevenactiviteiten. Zo is ze jaarlijks nauw betrokken bij de toneeluitvoeringen. “Er was in die niks, dus voerden we als leden van het fanfarecorps zelf toneelstukken op”, zegt Jannie. “Eerst lazen we de stukken door en langzamerhand begonnen we op onze manier te spelen. Een regisseur hadden we niet. We moesten het ons zelf leren. Later hoorden we, dat de Van Leijenhorsten goed toneel konden spelen. Daarvan hebben er later ook een paar meegedaan”.

Daarnaast is Jannie druk met het werven van donateurs, houdt zij zich bezig met uniformen en instrumenten en verricht zij overal hand en spandiensten. Een bestuursfunctie houdt zij echter af. “Ik ben daar wel voor gevraagd, maar daar ben ik nooit op ingegaan. Ik had mijn vader, Zeger van Roemburg, als voorbeeld. Die zat overal in. Bij de fanfare, de burgerwacht, later was hij voorzitter van schietvereniging Frans Tromp, en hij zat in diverse commissariaten en besturen. Hij was nooit thuis”.