Oorlogsherinnering

In het tijdschrift van Historisch Hoeflake, die van het voorjaar 2015, las onze voormalige plaatsgenoot Jaap Vermaat een artikel over de evacuatie in mei 1940. Middels een brief, gepubliceerd in het tijdschrift van het najaar van 2015, wil hij graag zijn eigen herinneringen met de lezers delen. De tekst is hieronder integraal opgenomen.

Van een Hoevelakense jongen in bezettingstijd

Het was al licht, maar we sliepen nog, dacht ik. Raar dat mijn moeder nu al aan het strijken was. Zo klonk het tenminste. Want de strijkplank kraakte altijd. Maar het bleek wat anders: het was nu oorlog geworden. En onze soldaten, ongeveer bij het vroegere Kruispunt, probeerden overvliegende toestellen te raken …

Nu zal ik eerlijk toegeven, dat ik de mobilisatie had toegejuicht. “Ha fijn, oorlog”! De verhalen over de Tachtigjarige oorlog waren ook best spannend.

Van de gemobiliseerde soldaten kwam er één vaak bij ons. Hij was kleermaker van beroep. Moest voor de majoor, die op Vinkenhoef zijn kwartier had, iets aan zijn uniform herstellen. Dat kon mooi op de kleermakerij van pa.

Later kwam hij met een maat onderduik zoeken. Ik hoor mijn moeder nog zeggen: “Blijf hier, want ze pakken je”. Maar dat wilde hij niet. Aan de – toen nog – Rijksstraatweg, waar alle verkeer door kwam, was het zijns inziens veel te gevaarlijk.

Op die 10e mei kregen we bevel om te gaan evacueren. Later heb ik gelezen hoe alles was voorbereid. Pa en ik op de fiets, moe met de beide kleintjes (Nel nog geen 2 jaar en Arend een half) met de auto. Naar Putten. Pa was het fietsen met zware koffers wel gewend. Ik had ook wat lichtere vracht.

Ik zie ons nog gaan op de Wolfse Steeg. Een hele colonne op karren en wagens met paard. En wij, de fietsers op het fietspad (grind), meestal stapvoets en lopen. Want het ging niet erg vlug.

Pa bedacht iets beters: we gingen over andere paadjes. Daar kon gefietst worden. Maar ach, we verzeilden in de kuddes weggevoerd vee. Die beesten waren ook nogal ontdaan. En ze waren zo groot! Gelukkig kwamen we er tenslotte doorheen en zo kwamen we in Huinen (Putten). Moe bij de familie Nijhuis, pa en ik sliepen op de heerd bij de familie Van Steeg. Allemaal fijne mensen.

Vrouw Nijhuis vond die scheiding van ons gezinnetje niet zo geslaagd. We mochten ook bij haar komen wonen.

Pa is in die dagen een paar keer naar huis geweest. Op mijn verzoek bracht hij ook mijn soldaatjes mee. Kon ik spelen. Bovendien mocht ik Nijhuis meehelpen in de tuin. Mijn eerste agrarische ervaringen (er zouden er nog meer volgen).

 Mijn ouders vonden het wel een hele belasting voor de familie Nijhuis (man, vrouw, dochter en inwonende tante/eigenaar van de boerderij). Later zijn we er regelmatig op visite geweest. De tante was weg van broer Arend: ze kon niet stoppen met de lofzang: “zo zeut”. (Ook dat trok later fors bij).

Pa kreeg een adres voor ons in het dorp. We zijn toen uit Huinen weggegaan. Toen we bij de Voorthuizenseweg gekomen waren trok er juist een colonne Duitse soldaten voorbij. Dat ogenblik vergeet ik nooit: het is de enige keer, dat ik moeder heb zien huilen … Ze was, ieder die haar gekend heeft heeft zal het met mij eens zijn, een heel sterke vrouw (en moeder!)

Over de bezettingsjaren is nog wel meer te vertellen. Maar dat is een ander verhaal. Twee ervan staan in “Flarden van oorlog” Trouw 1984.

Bennekom, 20 juni 2015

Ir. J.A. Vermaat